ECLI:NL:RBDHA:2022:1885
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op afgeleid verblijfsrecht op grond van verblijf in Italië en onvoldoende zorgtaken
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende vader, verzocht om een document dat rechtmatig verblijf in Nederland als gemeenschapsonderdaan zou aantonen, afgeleid uit het verblijfsrecht van zijn minderjarige dochter met de Nederlandse nationaliteit. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aantoonde dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken verrichtte en dat het kind afhankelijk van hem was. Tevens bleek uit een aanvullend besluit dat eiser een langdurig verblijfsrecht in Italië bezit, wat betekent dat noch hij noch zijn kind het grondgebied van de EU hoeven te verlaten.
Eiser stelde dat verweerder onzorgvuldig handelde door hem niet te horen over zijn verblijfsrecht in Italië en dat hij wel degelijk zorgtaken verrichtte. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende bewijs leverde van meer dan marginale zorgtaken en dat het zwaartepunt van de opvoeding bij de moeder lag. Ook had eiser nagelaten het Italiaanse verblijfsrecht tijdig te melden.
De rechtbank benadrukte dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat verblijfsrecht in de tweede lidstaat ontbreekt, wat eiser niet deed. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij en zijn kind geen verblijfsrecht in Italië hebben en onvoldoende zorgtaken verricht.