ECLI:NL:RBDHA:2022:1896
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen besluit afwijzing EU-verblijfsdocument
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin het bezwaar tegen de afwijzing van de afgifte van een EU-verblijfsdocument ongegrond werd verklaard. Tevens verzocht verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat aan het beroep schorsende werking wordt verleend.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan. Bij de uitspraak in de hoofdzaak met nummer AWB 21/4943 is het beroep waarop het verzoek om voorlopige voorziening betrekking heeft, ongegrond verklaard.
Gezien deze uitspraak is het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot afwijzing van het EU-verblijfsdocument wordt afgewezen.