ECLI:NL:RBDHA:2022:1960
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitstel van vertrek op medische gronden wegens ontbreken medische noodsituatie
Eiser, van Iraanse nationaliteit, verzocht om uitstel van vertrek op medische gronden op basis van een stemmingsstoornis en PTSS. Verweerder vroeg het Bureau Medische Advisering (BMA) om advies, dat concludeerde dat bij uitblijven van behandeling geen medische noodsituatie op korte termijn te verwachten is. Op grond daarvan wees verweerder het verzoek af en verklaarde het bezwaar kennelijk ongegrond.
Eiser voerde aan dat het BMA-advies onzorgvuldig en onvoldoende inzichtelijk was, dat hij niet persoonlijk was gehoord en dat de medische situatie ernstiger was dan het advies suggereerde. Ook stelde hij dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar de beschikbaarheid van adequate zorg in het land van herkomst, zoals vereist volgens jurisprudentie.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aan zijn vergewisplicht had voldaan, dat het BMA-advies zorgvuldig en concludent was en dat eiser geen contra-expertise of concrete aanwijzingen had geleverd die twijfel aan het advies rechtvaardigen. De brief van een behandelaar over de wenselijkheid van uitstel van overplaatsing kon de conclusie niet ondermijnen.
Verder was het niet vereist dat de BMA-arts eiser persoonlijk sprak, en verweerder mocht afzien van een hoorzitting omdat het bezwaar geen kans van slagen had. Gelet op het ontbreken van een medische noodsituatie op korte termijn, was er ook geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het uitstel van vertrek op medische gronden wordt ongegrond verklaard.