ECLI:NL:RVS:2013:826
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat uitzetting vreemdeling niet achterwege blijft wegens medische noodsituatie
De minister voor Immigratie en Asiel wees een aanvraag af om uitzetting van een vreemdeling achterwege te laten op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, vanwege medische redenen. De vreemdeling stelde beroep in tegen dit besluit, waarbij de voorzieningenrechter het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het Bureau Medische Advisering (BMA) zijn advies zorgvuldig en inzichtelijk had opgesteld, waarbij het verschil van inzicht tussen het BMA en de behandelaar van de vreemdeling geen reden was om het advies te verwerpen. De opvolgende brieven van de behandelaar bevatten geen nieuwe medische gegevens die het BMA had moeten betrekken.
De Afdeling verwierp voorts de bezwaren van de vreemdeling dat het BMA hem persoonlijk had moeten onderzoeken en dat het advies was gebaseerd op onjuiste feiten. Ook het beroep op artikel 3 EVRM Pro werd afgewezen. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot uitzetting blijft in stand.