ECLI:NL:RBDHA:2022:2050
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht verzorgende ouder wegens ontbreken daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken
Eiser, een Turkse vader, vroeg verblijf aan als verzorgende ouder van zijn minderjarige Nederlandse dochter. De staatssecretaris wees dit af omdat eiser niet aannemelijk maakte dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken verrichtte, noch dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestond dat zijn dochter de EU zou moeten verlaten bij weigering.
Eiser stelde dat hij betrokken is bij de zorg en opvoeding, ondersteund door een zorgregeling, verklaringen van de moeder, aankoopbonnen, foto’s en videobeelden, en bevestigingen van afspraken. De rechtbank oordeelde echter dat deze stukken onvoldoende bewijs leverden dat hij meer dan marginale zorg verleent. De zorgregeling toonde dat de moeder de feitelijke zorg draagt en de dochter weinig bij eiser verblijft.
De rechtbank volgde de staatssecretaris ook in het oordeel dat er geen zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat de dochter gedwongen wordt de EU te verlaten. Het belang van het kind werd meegewogen, waarbij werd vastgesteld dat de primaire zorg bij de moeder ligt en de ontwikkeling van de dochter niet in het geding is. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht en geen zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat.