ECLI:NL:RBDHA:2022:2054
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning ondanks gezinsleven en belangenafweging artikel 8 EVRM
Verzoeker, geboren in 1964 en Marokkaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn echtgenote. De staatssecretaris wees deze af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet voldoen aan vrijstellingscriteria, waaronder het arrest Chavez-Vilchez en artikel 8 EVRM Pro.
Verzoeker betoogde dat zijn kinderen afhankelijk van hem zijn en dat de belangenafweging onjuist was gemaakt. Hij overhandigde verklaringen van zijn kinderen en een brief over de arbeidsongeschiktheid van zijn echtgenote. De voorzieningenrechter concludeerde echter dat hoewel sprake is van gezinsleven, de kinderen niet zodanig afhankelijk zijn dat zij de EU moeten verlaten bij weigering van verblijf en dat de belangenafweging niet onjuist was.
De rechter nam mee dat verzoeker zonder verblijfsrecht in Nederland gezinsleven uitoefent, dat hij al eerder was aangezegd Nederland te verlaten, en dat hij sterke banden met Marokko heeft. Ook was onvoldoende gebleken dat medische zorg in Marokko ontbreekt. De hoorplicht werd niet geschonden omdat het bezwaar geen nieuwe feiten bevatte.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter Van der Poort-Schoenmakers op 25 februari 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.