ECLI:NL:RBDHA:2022:2108
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing persoonsgebonden budget jeugdhulp na wijziging thuissituatie jeugdige
Eiseres, wettelijk vertegenwoordigster van een jeugdige, verzocht om een persoonsgebonden budget (pgb) voor jeugdhulp. Verweerder wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank stelde vast dat de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west (Jbw) bevoegd was om te bepalen welke jeugdhulp noodzakelijk was in de periode van 21 april tot 31 december 2019.
Tijdens deze periode verbleef de jeugdige volledig thuis in afwachting van beschermd wonen. Jbw gaf echter geen nieuwe jeugdhulpbepaling af, omdat er geen passende jeugdhulpaanbieder beschikbaar was. Verweerder had dit moeten onderzoeken, maar deed dit niet tijdig, waardoor het eerste besluit niet zorgvuldig tot stand kwam. Na tussenuitspraak herstelde verweerder dit gebrek met een nieuw besluit waarin het bezwaar alsnog ongegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het pgb heeft afgewezen, omdat zonder een positieve jeugdhulpbepaling van Jbw geen voorziening kan worden verleend. De rechtbank ging niet in op de kwaliteit van de door eiseres en haar zus geleverde zorg. Het beroep tegen het tweede besluit werd ongegrond verklaard, terwijl het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van belang. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond; de aanvraag om pgb werd terecht afgewezen.