Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 februari 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
e-mails van 27 november 2018 en 15 december 2018 gereageerd op het verzoek van verweerder en informatie verstrekt. Eiseres heeft daarin onder andere aangegeven in 2016 geen huishoudelijk werk te hebben verricht. Ten aanzien van de zorgkosten geeft zij aan dat zij reiskosten in aftrek heeft gebracht in verband met het bezoeken van haar in Thailand wonende gehandicapte zoon.
extrakleding en beddengoed heeft gedaan. Ook overigens kan de rechtbank dat niet vaststellen.
aanvangvan de ziekte of invaliditeit/handicap het geval was. Ook dat heeft eiseres, tegenover de betwisting door verweerder, niet voldoende inzichtelijk gemaakt of onderbouwd met bewijsmiddelen. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat uit de gedingstukken en hetgeen eiseres diengaande heeft aangevoerd, ook niet eenduidig blijkt wanneer haar zoon precies invalide/gehandicapt is geworden. Nog daargelaten of aan de overige voorwaarden is voldaan, heeft eiseres reeds om deze redenen geen recht op deze aftrek.
doorgaans in een inrichting verblijft’. [3] Dat aan die voorwaarde is voldaan acht de rechtbank, tegenover de betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank vindt daarvoor in de gedingstukken geen, althans onvoldoende ondersteunend bewijs. Om die reden bestaat ook geen recht op deze aftrek; ook deze is terecht gecorrigeerd.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.049 en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- vermindert de navorderingsaanslag Zvw 2016 naar nihil en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van de immateriële schade van € 500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 117,48;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.