ECLI:NL:RBDHA:2022:2288
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering aanslag en boete wegens onjuistheid aangifte IB/PVV 2018 en onvolledige vermogensopgave
Eiser werd geconfronteerd met een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2018, waarbij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen was vastgesteld op € 84.966. Na informatie-uitwisseling met Zwitserse en Duitse autoriteiten bleek dat eiser een buitenlandse bankrekening bij UBS Bank had aangehouden met substantiële saldi, die niet waren opgegeven in de aangifte. Tevens werd bij een huiszoeking contant geld van ruim € 1,6 miljoen aangetroffen.
Verweerder legde een vergrijpboete van 300% op wegens het doen van een onjuiste en onvolledige aangifte met (voorwaardelijk) opzet. Eiser voerde onder meer aan dat het inkomen uit sparen en beleggen te hoog was vastgesteld, dat de boete te hoog was en dat sprake was van onbehoorlijk bestuur.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet had betwist dat hij over aanzienlijk vermogen beschikte en dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de aanslag te hoog was vastgesteld. Daarom werd het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot € 75.837. De rechtbank achtte (voorwaardelijk) opzet aannemelijk, maar matigde de boete tot 150% van de boetegrondslag vanwege het ontbreken van alle strafverzwarende omstandigheden. Verder werd geoordeeld dat geen sprake was van onbehoorlijk bestuur of onrechtmatig verkregen bewijs. De belastingrente werd overeenkomstig verminderd en het beroep werd gegrond verklaard.
Uitkomst: De aanslag IB/PVV 2018 en de boete worden verminderd wegens onjuistheid aangifte en matiging boete tot 150%.