Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag, waarin het hoger beroep tegen een informatiebeschikking van de Belastingdienst ongegrond werd verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat de ingebrachte klachten niet tot cassatie konden leiden, omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.
Het hof had nagelaten een nieuwe termijn te stellen voor het voldoen aan de informatieplicht zoals vereist op grond van artikel 27h, lid 2, AWR in samenhang met artikel 27e, lid 2, AWR. De Hoge Raad stelde daarom zelf een termijn van vier weken vast waarbinnen belanghebbende aan de verplichtingen uit de informatiebeschikking moet voldoen.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en bevestigde daarmee het belang van een zorgvuldige procedure bij informatiebeschikkingen en de juiste toepassing van termijnen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 29 maart 2019.