ECLI:NL:RBDHA:2022:233
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid gemeente tot verharden berm op privégrond als openbare weg
Eiser woont aan een adres waar een groenstrook (berm) op zijn grond ligt. De gemeente wil deze berm verharden en een voetpad aanleggen. Eiser stelt dat hij toestemming moet geven voor deze werkzaamheden. De gemeente stelt dat de berm onderdeel is van de openbare weg en dat zij op grond van de Wegenwet bevoegd is om zonder toestemming een voetpad aan te leggen.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een brief van de gemeente waarin deze haar bevoegdheid bevestigt. Dit bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit in de zin van de Awb zou zijn. Eiser is het hier niet mee eens en stelt dat de brief wel een besluit is omdat daarin de juridische status van de berm wordt vastgesteld en daardoor rechten en plichten ontstaan.
De rechtbank oordeelt dat de berm inderdaad een functie vervult voor het openbaar verkeer en al meer dan tien jaar door de gemeente wordt onderhouden. Dit maakt de berm een openbare weg in de zin van artikel 4 Wegenwet Pro. De bevoegdheid van de gemeente om de berm te verharden bestaat niet door de brief, maar uit de Wegenwet zelf. De brief en de verharding zijn feitelijke handelingen zonder rechtsgevolgen. Ook is geen sprake van schending van de hoorplicht of onzorgvuldigheid. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de gemeente bevoegd is de berm te verharden als openbare weg.