ECLI:NL:RBDHA:2022:2344
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in bestuursrechtelijke procedure over AVG-klacht
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters van de rechtbank Den Haag die betrokken zijn bij een bestuursrechtelijke procedure over een klacht over de naleving van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) door het RIEC. Het wrakingsverzoek was gebaseerd op vermeende vooringenomenheid, onder meer omdat de rechters verzoeker ter zitting naar zijn procesbelang vroegen en omdat zij de gemeente Zundert als derde-partij hadden toegelaten, wat volgens verzoeker duidt op een versmalling van zijn klacht.
De wrakingskamer overwoog dat een rechter slechts gewraakt kan worden bij objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid, wat alleen aannemelijk is bij bijzondere omstandigheden. De procedurele beslissing om derde-partijen toe te laten is een wettelijke bevoegdheid en kan niet via wraking inhoudelijk worden aangevochten. Het enkele vragen naar het procesbelang vormt geen grond voor vooringenomenheid.
Verzoeker en zijn gemachtigde waren niet verschenen bij de wrakingszitting. De betrokken derde-partijen en de Autoriteit Persoonsgegevens sloten zich aan bij het standpunt van de rechters. De wrakingskamer concludeerde dat geen sprake was van vooringenomenheid en wees het verzoek af. De procedure wordt voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.