ECLI:NL:RBDHA:2022:2374

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2022
Publicatiedatum
21 maart 2022
Zaaknummer
NL22.1394, NL22.1395, NL22.1396
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring gezin met minderjarig kind wegens weigering coronatest

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Nigeriaans gezin met een minderjarig kind tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

De maatregel was opgelegd vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening en het risico dat het gezin zich aan toezicht zou onttrekken. Het gezin voerde aan dat zij onnodig lang in bewaring hadden gezeten en dat de weigering van een coronatest een reden was om hen niet in bewaring te stellen.

De rechtbank oordeelde dat het gezin slechts enkele dagen in bewaring had gezeten, kort voor de geplande vlucht, en dat de weigering van de coronatest niet betekende dat zij niet in bewaring mochten worden gesteld. Ook was onvoldoende onderbouwd waarom een lichter middel had moeten worden toegepast.

Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond en wees de verzoeken om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.1395, NL22.1396 en NL22.1394

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] ,eisers V-nummers: [nummer] , [nummer] en [nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).

Procesverloop

Bij besluiten van 27 januari 2022 (de bestreden besluiten) heeft verweerder aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 2 februari 2022 de maatregelen van bewaring opgeheven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2022. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers stellen van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997 respectievelijk [geboortedatum] 1997 respectievelijk [geboortedatum] 2020 .
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eisers zich aan het toezicht zouden onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eisers:
3k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoek; en als lichte gronden2 vermeld dat eisers:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;
4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eisers de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet hebben betwist.
Weigering coronatest
5. Eisers voeren aan dat ze te lang in bewaring hebben gezeten, namelijk twee weken. Het gaat in het geval van eisers om een gezin met een minderjarig kind; die hoeven niet weken voordat hun vlucht gepland staat in bewaring te worden gesteld. Verweerder had hier op een andere manier mee om moeten gaan. Verder wist verweerder van te voren dat eisers de coronatest zouden weigeren. De overdracht had dus hoe dan ook niet plaats kunnen vinden, waardoor de bewaring overbodig was.
6. De rechtbank oordeelt als volgt. Eisers hebben vanaf 27 januari 2022 tot 2 februari 2022 in bewaring gezeten. Dit zijn geen twee weken, zoals eisers aanvoeren. Verweerder heeft in het belang van het gezin gewacht met de inbewaringstelling tot kort voor hun geplande vlucht. Hun vlucht stond namelijk gepland op 2 februari 2022. Eisers hebben dus niet onnodig lang in bewaring gezeten. Verder brengt de enkele weigering van een coronatest niet met zich mee dat eisers niet in bewaring gesteld mochten worden. Het gaat namelijk om de overdrachtstermijn van eisers en die was nog niet verstreken op het moment van inbewaringstelling. Eisers hebben door het weigeren van de coronatest niet voldaan aan de op hun rustende verplichting om actief en volledig mee te werken aan hun overdracht.3 Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Lichter middel
7. Eisers voeren verder aan dat verweerder had kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel.
8. De rechtbank stelt vast dat eisers niet hebben onderbouwd waarom verweerder in hun geval had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3 Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85.
van bewaring. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom hij geen lichter middel heeft toegepast. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
9. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
09 februari 2022
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Documentcode: [nummer]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.