ECLI:NL:RVS:2022:85
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van inbewaringstelling vreemdeling ondanks weigering coronatest
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 19 oktober 2021 in bewaring. De vreemdeling voerde bezwaar aan tegen deze maatregel en stelde dat hij niet kon worden overgedragen onder de Dublinverordening omdat hij weigerde een PCR-coronatest te ondergaan, wat volgens hem een schending van zijn recht op lichamelijke integriteit was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State. Deze oordeelde dat het vereisen van een PCR-test noodzakelijk is voor de bestrijding van de pandemie en dat de staatssecretaris de vreemdeling niet dwingt tot de test, waardoor geen ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM Pro is.
De Raad van State stelde vast dat de weigering van de test betekent dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn overdracht, wat voor zijn risico komt. Tevens was de termijn voor overdracht volgens de Dublinverordening nog niet verstreken, zodat er geen zichtbare belemmering was voor overdracht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de inbewaringstelling ondanks de weigering van de vreemdeling om een PCR-test te ondergaan.