ECLI:NL:RBDHA:2022:250
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 lid 2 Vreemdelingenwet 2000
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, is op 29 december 2021 in vreemdelingenbewaring gesteld door verweerder op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit gebeurde omdat de noodzakelijke documenten voor terugkeer, waaronder een geldig Grieks vluchtelingenpaspoort, aanwezig waren.
Eiser stelde dat hij niet is gehoord bij de ophouding voorafgaand aan de bewaring, dat zijn vluchtelingenstatus in Griekenland onvoldoende was vastgesteld, dat hij niet voldoende is geïnformeerd over zijn recht op rechtsbijstand tijdens het gehoor, dat zijn rechtmatig verblijf niet was vastgesteld en dat verweerder niet voortvarend zou hebben gehandeld. De rechtbank verwierp al deze bezwaren na zorgvuldige toetsing.
De rechtbank oordeelde dat het horen bij ophouding niet verplicht is indien dit niet noodzakelijk wordt geacht, dat de vluchtelingenstatus voldoende is aangetoond met het Griekse reisdocument en bevestiging van de Griekse autoriteiten, en dat eiser expliciet heeft verklaard geen advocaat bij het gehoor te willen. Ook is vastgesteld dat het rechtmatig verblijf is onderzocht en dat verweerder voortvarend heeft gehandeld door tijdig vertrekgesprekken te voeren en contact met de Griekse autoriteiten.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.