ECLI:NL:RVS:2016:1903
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in bewaring gesteld: toetsing rechtmatigheid en motivering maatregel
Bij besluit van 11 december 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring gegrond en beval opheffing van de maatregel, met toekenning van schadevergoeding. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de maatregel geen motivering bevatte omtrent het zicht op uitzetting. De staatssecretaris had voldoende gemotiveerd dat zicht op uitzetting naar Burundi niet ontbreekt. Tevens is de staandehouding rechtmatig bevonden, omdat deze niet op het voorkomen van de vreemdeling was gebaseerd maar op een vermoeden van overtreding van de APV.
Verder is de verlenging van de ophouding op 10 december 2015 gegrond verklaard vanwege een storing in de computersystemen, waardoor nader onderzoek noodzakelijk was. De gronden voor bewaring, waaronder het niet melden bij de korpschef en het ontbreken van een vaste woonplaats, zijn voldoende onderbouwd. Ook is vastgesteld dat de staatssecretaris de vreemdeling in de gelegenheid heeft gesteld persoonlijke omstandigheden te melden, maar dat deze geen lichter middel rechtvaardigden.
Ten slotte is bevestigd dat voor bewaring geen zicht op uitzetting vereist is en dat de ingediende asielaanvraag de uitzettingsprocedure schorst. De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond, zonder toekenning van schadevergoeding.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring is rechtmatig.