Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek op de zitting
2.De tenlastelegging
primair), dan wel dat hij hier medeplichtig aan is geweest (
subsidiair), dan wel dat hij samen met anderen en met voorbedachten rade geprobeerd heeft [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (
meer subsidiair), dan wel dat hij hier medeplichtig aan is geweest (
nog meer subsidiair), dan wel dat hij samen met anderen voorbereidingen heeft getroffen tot het plegen van een moord c.q doodslag of zware mishandeling met voorbedachten rade of openlijke geweldpleging (
nog meer subsidiair), dan wel dat hij hier medeplichtig aan is geweest (
meest subsidiair);
primair), dan wel dat hij hier medeplichtig aan is geweest (
subsidiair).
3.Bewijsoverwegingen
Volgens de verdediging is het in de buurt zijn van de plaats waar een incident heeft plaatsgevonden, het in een chatgroep zitten waarin wordt gesproken over het incident en het eerder aangetroffen zijn met een mes op zak onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om de verdachte te veroordelen voor het medeplegen van / medeplichtigheid aan de ten laste gelegde poging moord, het medeplegen van / medeplichtigheid aan zware mishandeling (met voorbedachten rade), of de voorbereidingshandelingen hiertoe.
Hiervoor is vastgesteld dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de slachtoffers steekwonden hebben opgelopen. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank dit ziet als ernstig letsel. Bij de beantwoording van de vraag of toegebracht letsel als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet worden aangemerkt dient echter de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel in aanmerking te worden genomen. De rechtbank heeft hiervoor reeds geconstateerd dat het dossier geen objectieve bewijsmiddelen bevat op grond waarvan de aard en ernst van de steekverwondingen, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel kan worden vastgesteld. De waarnemingen van de verbalisanten die het eerste ter plaatse waren en de beknopte verklaringen van de slachtoffers zelf zijn ontoereikend om het letsel van de beide slachtoffers aan te kunnen merken als zwaar lichamelijk letsel.
De verdachte zelf heeft verklaard bij het incident aanwezig te zijn geweest en gezien te hebben dat er geslagen en gestoken werd. De slachtoffers zijn ook daadwerkelijk gestoken.
De conclusie van de rechtbank vindt steun in de omstandigheid dat de verdachte minder dan een half uur na het steekincident al op internet heeft gezocht naar ‘steekpartij [pleegplaats] ’ en op 7 juni 2021 naar ‘wat is de straf is voor poging tot doodslag voor een 18-jarige’, terwijl de verdachte als enige van de groep verdachten de leeftijd van 18 jaar had ten tijde van het steekincident.
Dit leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de verdachte door zijn aanwezigheid en getoond gedrag een voldoende significante bijdrage heeft gehad aan het gepleegde geweld.
gevolgenvan de openlijke geweldpleging, namelijk dat het door de verdachte gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig letsel ten gevolge heeft gehad, overweegt de rechtbank het volgende.
zelfhet bewezenverklaarde letsel heeft toegebracht, zodat de verdachte niet op grond van deze bepaling strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door zijn mededaders in het kader van het openlijke geweld veroorzaakte letsel (HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3230, en HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1082).
eigenhandelen het bewezenverklaarde letsel, te weten de steekwonden en/of enig ander letsel heeft toegebracht.
4.De bewezenverklaring
[plek van delict], te weten op of nabij het basketbalveldje/pleintje aldaar, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit:
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De straf
De rechtbank vindt een aanzienlijke jeugddetentie op zijn plaats, waarvan een gedeelte voorwaardelijk zal worden opgelegd.
8.Beslag
9.De toepasselijke wetsartikelen
10.De beslissing
184 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich tot het einde van de proeftijd, die wordt vastgesteld op
dadelijk uitvoerbaarzijn;