Verzoeker is eigenaar van een perceel met een loods dat volgens verweerder in strijd wordt gebruikt met het bestemmingsplan, namelijk voor opslag van goederen die niet ondergeschikt zijn aan een agrarisch bollenteeltbedrijf. Verweerder legde een last onder dwangsom op om dit gebruik te beëindigen, wat verzoeker aanvocht.
De voorzieningenrechter constateert dat het perceel niet wordt gebruikt voor een agrarisch bollenteeltbedrijf en dat opslag door verschillende derden plaatsvindt, wat niet is toegestaan volgens het bestemmingsplan. Ook het overgangsrecht biedt geen bescherming, omdat het gebruik al in strijd was met het vorige bestemmingsplan.
Verzoeker betoogt dat het perceel te klein is voor bollenteelt en dat het gebruik al 25 jaar gedoogd werd. De voorzieningenrechter erkent dat verweerder onvoldoende heeft meegewogen dat verzoeker het perceel niet meer agrarisch kan gebruiken en dat handhaving daardoor onevenredig is.
Daarom wordt het bestreden besluit geschorst totdat de rechtbank in het bodemgeding heeft beslist. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van verzoeker.