2.3In reactie daarop hebben eisers een contra-expertise bij de zienswijze overgelegd. In dit rapport staat dat de authenticiteit van de documenten niet kan worden vastgesteld maar dat dit niet betekent dat de documenten vals zijn, omdat de manier waarop brondocumenten in Egypte worden opgemaakt en afgegeven niet uniform is. Daarnaast hebben eisers bij de zienswijze drie verklaringen van Egyptische advocaten overgelegd.
3. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten op het standpunt gesteld dat eisers met de in de zienswijze overgelegde documenten en de contra-expertise niet aannemelijk hebben gemaakt dat de overgelegde documenten authentiek zijn. Verweerder heeft de aanvragen van eisers daarom niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van opvolgende aanvragen waaraan eisers geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag hebben gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verweerder heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.
4. Eisers hebben de bestreden besluiten gemotiveerd betwist. Voor zover relevant zal de rechtbank hieronder op de beroepsgronden ingaan.
Heeft verweerder de aanvragen niet-ontvankelijk mogen verklaren?
5. Eisers voeren aan dat verweerder de aanvragen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij vinden dat de beoordeling door verweerder of sprake is van nieuwe elementen of bevindingen niet overeenstemt met het arrest LH. Daarbij stellen eisers dat verweerder hen had moeten horen.
6 Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat het in deze procedure om een andere situatie gaat dan in het arrest LH. Volgens verweerder kon in het arrest LH de authenticiteit niet worden vastgesteld omdat er geen referentiemateriaal was. In deze zaak is er een contra-expertise, waarbij referentiemateriaal wel beschikbaar was. Volgens verweerder hebben dus twee onderzoeken uitgewezen dat de authenticiteit van de door eisers overgelegde documenten niet kan worden vastgesteld. Ter onderbouwing van het standpunt dat de situatie van eisers niet vergelijkbaar is met de situatie als in het arrest LH doet verweerder een beroep op de uitspraak van 30 juli 2021 van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem.Daarnaast stelt verweerder dat de aanvragen niet alleen niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat de documenten niet authentiek zijn bevonden, maar dat de documenten daarnaast ook voldoende inhoudelijk zijn beoordeeld. Verweerder vindt daarom dat de aanvragen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.
7. Uit het arrest LH, punten 34-38, volgt dat de beoordeling van opvolgende asielaanvragen die verweerder in het kader van artikel 40, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn moet maken, bestaat uit twee stappen.
Stap 1 is de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag. Deze stap bestaat uit twee fasen.
Fase 1 is het onderzoek of er nieuwe elementen of bevindingen zijn of door de vreemdeling zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij in aanmerking komt voor internationale bescherming. Uit punt 50 van het arrest LH volgt dat elementen of bevindingen nieuw zijn wanneer die niet werden onderzocht in het kader van het op de vorige asielaanvraag genomen besluit en waarop dat besluit niet kon worden gebaseerd. Alleen als er nieuwe elementen of bevindingen zijn ten opzichte van de eerdere asielaanvraag, komt de staatssecretaris toe aan fase 2.
Fase 2 is het onderzoek of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Het Hof overweegt dat moet zijn voldaan aan beide in fase 1 en fase 2 genoemde ontvankelijkheidsvereisten, maar benadrukt dat het gaat om afzonderlijke vereisten.
Als aan die vereisten is voldaan, moet verweerder vervolgens overgaan tot stap 2, die inhoudt dat hij de opvolgende asielaanvraag inhoudelijk beoordeelt.
8. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de overgelegde documenten niet bij de eerdere beoordelingen zijn betrokken. Het gaat daarom om de vraag of voldaan is aan het vereiste in fase 2.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvragen ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, omdat verweerder niet heeft gemotiveerd dat aan het ontvankelijkheidsvereiste in fase 2 niet is voldaan. De rechtbank licht dit hieronder toe.