ECLI:NL:RBDHA:2022:2927
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag nareis gezinshereniging op grond van artikel 8 EVRM
Eisers, allen van Eritrese nationaliteit en stellende één gezin te vormen, vroegen om verblijf bij hun zoon en broer in Nederland. Hun eerdere nareis-aanvragen in 2017 waren ingewilligd maar niet opgehaald. Nu dienden zij een aanvraag in voor gezinshereniging op grond van artikel 8 EVRM Pro, welke door verweerder werd afgewezen.
Eisers voerden aan dat het vertrouwensbeginsel was geschonden en dat de belangenafweging ten onrechte negatief was uitgevallen, mede omdat het jongvolwassenenbeleid van toepassing was en de gezinsband niet was verbroken. De rechtbank oordeelde dat de eerdere inwilliging van nareis-aanvragen niet leidde tot een gegrond vertrouwen dat de huidige aanvragen ook zouden worden ingewilligd, omdat het om verschillende toetsingskaders ging.
De rechtbank stelde vast dat verweerder een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt, waarbij het belang van de referent en eisers was afgewogen tegen het Nederlandse toelatingsbeleid. Verweerder had gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eisers uitviel, mede omdat eisers nooit rechtmatig in Nederland verbleven en daardoor sterkere banden met het land van herkomst hadden. De rechtbank concludeerde dat het weigeren van de mvv niet in strijd was met artikel 8 EVRM Pro en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor nareis gezinshereniging wordt ongegrond verklaard.