ECLI:NL:RBDHA:2022:331

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2022
Publicatiedatum
24 januari 2022
Zaaknummer
NL21.18834
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EU) 604/2013
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen weigering asielaanvraag op grond van Dublinverordening Italië

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank heeft vastgesteld dat Italië inderdaad verantwoordelijk is en dat er geen reden is om af te zien van overdracht aan Italië. De toezegging van de Italiaanse autoriteiten om het verzoek in behandeling te nemen, en de algemene veronderstelling dat zij hun verplichtingen zullen nakomen, zijn doorslaggevend. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom dit in zijn geval anders zou moeten zijn.

Ook de stelling dat eiser medisch onderzocht had moeten worden, is onvoldoende onderbouwd. Er is geen bewijs dat eiser onder medische behandeling staat, en de veronderstelling is dat Italië noodzakelijke medische zorg zal bieden. De tijdelijke Covid-19 situatie raakt niet aan de rechtmatigheid van het besluit.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is mondeling gedaan op 7 januari 2022.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.18834
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

v-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.18835, op 7 januari 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Italië op grond van de Dublinverordening [1] verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek.
2. Verweerder heeft terecht overwogen dat er geen aanleiding is om af te zien van overdracht aan deze lidstaat. Met de aanvaarding van het claimakkoord hebben de Italiaanse autoriteiten toegezegd het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen. Zoals eiser ook heeft erkend wordt er in het algemeen van uit gegaan dat Italië haar Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen zal naleven. Er is geen reden om daar nu anders over te oordelen. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom daar in het algemeen of in zijn specifieke situatie nu anders over moet worden geoordeeld.
3. Dat eiser medisch onderzocht had moeten worden is evenmin onderbouwd. Niet is gebleken dat eiser onder medische behandeling staat. Verweerder mag er van uitgaan dat eiser in de verantwoordelijke lidstaat eventuele medische noodzakelijke behandeling zal krijgen. Eiser heeft niet met documenten of verklaringen onderbouwd dat hiervan in het algemeen of vanwege zijn persoonlijke overwegingen niet kan worden uitgegaan. Dat neemt niet weg dat de Italiaanse autoriteiten voor de overdracht alsnog zullen moeten worden geïnformeerd over eventuele bijzonderheden in dit verband.
4. De eventuele onmogelijkheid vanwege Covid-19 om eiser over te dragen aan Italië is van tijdelijke en feitelijke aard en raakt niet aan de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2022 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 604/2013.