ECLI:NL:RBDHA:2022:3327
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste gegevens en oplegging inreisverbod
Eiser, van Syrische nationaliteit, kreeg in 2013 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder trok deze vergunning in met terugwerkende kracht vanwege onjuiste of achtergehouden gegevens over eisers vermeende Armeense nationaliteit, gebaseerd op visumonderzoek in Vision. Eiser voerde aan niet op de hoogte te zijn geweest van een Armeens paspoort op zijn naam en betwistte de intrekking.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de bewijslast had voldaan met een sterke persoonsmatch tussen eiser en een Armeens paspoort gebruikt voor een Tsjechisch visum. Eiser slaagde er niet in dit te weerleggen met een verklaring van de Armeense ambassade. De intrekking was gericht op herstel van de rechtens juiste situatie en niet punitief.
Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht Armenië als land van herkomst beschouwde en dat de belangenafweging, inclusief toetsing aan artikel 8 EVRM Pro, niet onzorgvuldig was. Het opgelegde inreisverbod van twee jaar werd als passend gemotiveerd beschouwd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat verweerder aannemelijk maakte dat vergelijkbare zaken wezenlijke verschillen vertoonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel en het opgelegde inreisverbod wordt ongegrond verklaard.