ECLI:NL:RBDHA:2022:3331
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen bewaring en afwijzing schadevergoeding in vreemdelingenzaak
Eiser, een Gambiaanse nationaliteit bezittende persoon, is op 16 maart 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eerder was hij ook in bewaring gesteld op basis van artikel 59b, eerste lid, maar deze maatregel werd opgeheven en direct vervangen nadat eiser zijn rechtsmiddelen tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag introk.
Eiser voerde aan dat de maatregel onvoldoende gemotiveerd was en dat een lichter middel had moeten worden toegepast, mede omdat hij bij een neef zou kunnen verblijven. De rechtbank oordeelde dat verweerder zorgvuldig had onderzocht of verblijf bij de neef mogelijk was, maar dat de neef dit niet bevestigde. Ook het beroep dat eiser zelf contact wilde opnemen met de Gambiaanse autoriteiten om zijn vertrek te regelen, werd verworpen omdat het risico op onttrekking aan toezicht niet was betwist.
Eiser stelde verder dat er geen concreet zicht bestond op uitzetting naar Gambia binnen een redelijke termijn. De rechtbank verwees naar een recente laissez-passeraanvraag van 24 februari 2022 en een geplande presentatie bij de Gambiaanse autoriteiten op 21 april. Dit maakte het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.