ECLI:NL:RBDHA:2022:3343

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 april 2022
Publicatiedatum
12 april 2022
Zaaknummer
NL21.12307
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 45 Vreemdelingenwet 2000Artikel 5 TerugkeerrichtlijnArtikel 24 EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering geloofwaardigheid homoseksualiteit minderjarige

Eiser, een minderjarige met de Gambiaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van zijn homoseksuele geaardheid en de daaraan verbonden problemen in zijn land van herkomst.

Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende aannemelijkheid van de seksuele geaardheid en de daaraan verbonden problemen. Eiser stelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met zijn culturele achtergrond en minderjarige leeftijd, en dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was.

De rechtbank oordeelde dat verweerder niet deugdelijk had gemotiveerd waarom eiser concreter had moeten verklaren over zijn gevoelens en worstelingen, mede gezien zijn jonge leeftijd en culturele achtergrond. Hierdoor was de geloofwaardigheid onvoldoende beoordeeld.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van de geloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.12307

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. de Graaf).

ProcesverloopBij besluit van 1 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook zijn verschenen [A] (voorzitter van LHBT Asylum Support) en [B] (van NIDOS) als toehoorders.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2004 en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Aan zijn
asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij Gambia heeft verlaten vanwege problemen ten gevolge van zijn homoseksuele geaardheid
.
2. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig
geacht. Volgens verweerder heeft eiser zijn seksuele geaardheid niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft die geaardheid daarom ongeloofwaardig geacht. Dat geldt ook voor de door eiser gestelde problemen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser vindt dat verweerder zich ten
onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn gestelde seksuele geaardheid en de daaruit voorvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn. Eiser betoogt dat het besluit
onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke en culturele achtergrond (in strijd met WI 2014/10). Verder heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met eisers leeftijd, zowel zijn leeftijd op het moment waarop hij zich bewust werd van zijn seksuele geaardheid als het moment waarop hij daarover moest verklaren in de gehoren. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 november 2021, [1] waarin is aangegeven dat de (jonge) leeftijd bij de motivering van de geloofwaardigheidsbeoordeling meegenomen dient te worden. Eiser voert aan dat de diepgang van de gevoelens die verwacht worden niet in lijn staan met zijn leeftijd en zijn culturele achtergrond. Verweerder heeft ook geen rekening gehouden met zijn beperkingen vanwege medische problematiek (in strijd met Paragraaf 5 van de WI 2010/13). Eiser voert verder aan dat hij contact heeft gehad met LHBTI organisaties in Nederland
.Eiser heeft een brief overgelegde brief van [C] , coördinator van Cocktail (een maatjesproject van het COC), waaruit blijkt dat zij contact hadden. Eiser heeft in beroep ook een brief van de organisatie LGBT Asylum Support overgelegd (opgesteld door [A] ) van 7 maart 2022, waarin is aangegeven hoe de medewerkers van de organisatie eiser kennen, hem ervaren en welke gesprekken zij met hem hebben gevoerd. Eiser voert aan dat deze stukken ten onrechte niet bij de beoordeling zijn betrokken, in strijd dus met de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021. [2] Eiser betoogt ook dat het afwijzen van zijn asielaanvraag en het tegelijkertijd niet opleggen van een terugkeerbesluit in strijd is met de wet, in het bijzonder artikel 45 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), [3] waaruit volgt dat de afwijzing van de asielaanvraag een terugkeerbesluit moet zijn. Eiser betoogt dat zijn asielaanvraag pas kan worden afgewezen als er tevens grondig onderzoek heeft plaatsgevonden naar adequate opvang, waarbij de belangen van het kind moet worden betrokken. Eiser voert tot slot aan dat een forensisch medisch onderzoek naar de littekens van de gestelde mishandeling relevant zou zijn, omdat daarmee de problemen in Gambia kunnen worden onderbouwd met steunbewijs.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Het is vaste rechtspraak [4] dat de staatsecretaris bij het inrichten van de
asielprocedure in algemene zin voldoende maatregelen neemt om een zorgvuldige en objectieve beoordeling van een asielrelaas te waarborgen waarbij rekening wordt gehouden met de culturele achtergrond van een vreemdeling. In die overweging ligt besloten dat de staatssecretaris in zijn werkwijze voldoende rekening houdt met het referentiekader van de vreemdeling, waarvan de culturele achtergrond deel uitmaakt.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende rekening
gehouden met het referentiekader (de culturele achtergrond en de (minderjarige) leeftijd) van eiser. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom eisers feitelijke antwoorden tijdens de gehoren op vragen van verweerder over zijn gevoelens en de worsteling die hij stelt te hebben doorgemaakt, mede in het licht van de jonge leeftijd waarop hij stelt te hebben ontdekt dat hij homoseksueel is, volgens hem tekortschieten. [5] Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat en waarom eiser concreter of meer nauwkeurig had moet kunnen verklaren dan hij heeft gedaan.
6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zijn conclusie over de geloofwaardigheid
van de homoseksuele geaardheid van eiser niet deugdelijk gemotiveerd. Nu het niet aan de rechtbank maar aan verweerder is een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te maken, zal verweerder de geloofwaardigheid van de geaardheid opnieuw moeten beoordelen met inachtneming van wat de rechtbank heeft overwogen. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank komt daarom niet toe aan de overige beroepsgronden.
7. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met
inachtneming van deze uitspraak en de in beroep overgelegde stukken. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van zes weken.
8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door
eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken opnieuw te beslissen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. N.Y. Majoor, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

3.En met artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn met artikel 24 EU Pro Handvest.
4.Uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:121.
5.ECL:NL:RVS:2021.2615.