Art. 3:46 AwbArt. 30b, eerste lid, aanhef en onder h, Vw
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep gegrond: asielaanvraag afgewezen wegens motiveringsgebrek en onvoldoende beoordeling homoseksualiteit
Eiser, een Gambiaanse man die vanwege zijn homoseksualiteit asiel aanvraagt, werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de verklaringen van eiser over zijn geaardheid en relatie als ongeloofwaardig worden beschouwd, mede gelet op zijn jonge leeftijd en culturele achtergrond.
Verweerder had betwijfeld of eiser daadwerkelijk homoseksueel is en onvoldoende bewijs overgelegd. Ook werd de aanvraag afgewezen vanwege late melding. De rechtbank stelt dat de late melding geen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. Daarnaast is onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser en is de rol van de lhbti-coördinator niet expliciet vermeld, maar dat is geen schending.
De rechtbank beveelt een nieuwe beoordeling van de geloofwaardigheid en de steunverklaringen, vernietigt het bestreden besluit en veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten. Het beroep wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering en beoordeling van de homoseksuele geaardheid van eiser.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30699
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
[V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Procesverloop
Met het besluit van 4 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting in Breda behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Hij is op 16 januari 2023 naar Nederland gekomen met een visum voor kort verblijf. Op 23 februari 2023 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd.
Het asielrelaas
2. Eiser vreest bij terugkeer naar Gambia voor zijn leven vanwege zijn homoseksuele geaardheid. Hij heeft in Gambia negen jaar een geheime relatie gehad met een man genaamd [naam 1] . [2] In december 2022 zijn zij samen betrapt door eisers vader. Eiser is toen ernstig mishandeld door zijn vader, waarna hij tot zijn vertrek uit Gambia in januari 2023 tijdelijk op andere adressen heeft gewoond. Eiser beschikte over een visum om een conferentie in Nederland bij te wonen.
Het bestreden besluit
3. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder gelooft niet dat eiser homoseksueel is en dat hij als gevolg daarvan problemen heeft ondervonden in Gambia. Verweerder overweegt dat eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn asielmotief volledig onderbouwen. Daarnaast vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verweerder vindt dat eisers verklaringen over de ontdekking van zijn geaardheid in beperkte mate persoonlijk en authentiek zijn en dat eiser onvoldoende inzicht geeft in wat het met hem deed dat hij op mannen viel. Eiser verklaart summier over de wijze waarop hij zijn geaardheid geaccepteerd heeft in een maatschappij waar homoseksualiteit verboden is. Ook eisers verklaringen over zijn relatie met [naam 1] zijn summier. Net als eisers verklaringen over de bijeenkomsten van het COC en de Pride in Nederland. Tot slot heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en hij daar geen goede verklaring voor heeft. Eiser is namelijk op 26 januari 2023 Nederland binnengekomen en hij heeft zich pas op 20 februari 2023 gemeld voor het doen van een asielaanvraag.
De beroepsgronden
4. Eiser voert aan dat verweerder zijn asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. Eiser stelt allereerst dat verweerder in het bestreden besluit niet deugdelijk en gemotiveerd ingaat op de zienswijze. Zo is eiser uitgebreid ingegaan op de mishandeling door zijn vader en niet gebleken is dat verweerder rekening heeft gehouden met de impact daarvan. Daarnaast is niet gebleken dat verweerder conform de Werkinstructie (WI) 2019/17 [3] een lhbti-coördinator heeft geraadpleegd. Verder is onvoldoende duidelijk hoe verweerder rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Hij was minderjarig toen hij zich bewust werd van zijn homoseksuele gevoelens en eisers verklaringen zien op gebeurtenissen die zich jaren geleden hebben voorgedaan. Dat eiser nu volwassen is, maakt nog niet dat hij beter kan verklaren over wat hij dacht toen hij jong was. In dat verband beroept eiser zich op verschillende uitspraken. [4] Daarnaast speelt mee dat eiser afkomstig is uit een land waar zijn geaardheid niet is toegestaan. Dat heeft invloed op zijn vermogen om te verklaren over zijn geaardheid. Eiser heeft binnen voormelde context uitvoerig verklaard over het proces van bewustwording van zijn geaardheid en hoe hij zijn gevoelens heeft ervaren in een maatschappij waar homoseksualiteit verboden is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Raadplegen lhbti-coördinator
5. In de WI 2019/17 staat dat op elke locatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) lhbti-coördinatoren aanwezig zijn. In elke zaak waar een lhbti-motief speelt, dient voor het besluit genomen wordt een lhbti-coördinator te worden geraadpleegd. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat een dergelijke coördinator is geraadpleegd. Zij brengen vervolgens een advies uit en dat wordt opgenomen in de interne stukken. Dat het voorgaande niet is opgenomen in de besluitvorming doet daaraan niet af. Uit WI 2019/17 volgt voor verweerder namelijk geen verplichting om kenbaar in de besluitvorming op te nemen dat er met een lhbti-coördinator is overlegd. De rechtbank acht het ook niet onredelijk dat verweerder de totstandkoming en de inhoud van het advies van een lhbti-coördinator niet uitdrukkelijk in het asielbesluit vermeldt, omdat het hier gaat om voorbereidingshandelingen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Referentiekader
6. Uit de WI 2019/17 volgt dat het bepalen welk gewicht toekomt aan de antwoorden op de vragen die zijn gesteld over iemands seksuele gerichtheid sterk afhankelijk is van de individuele zaak. Verweerder houdt hierbij rekening met het referentiekader van de vreemdeling (opleidingsniveau, leeftijdsfase, cultuur, afkomst, etc.). In de WI 2019/17 wordt verder benadrukt dat het uiteraard van belang blijft om in de vraagstelling en de beoordeling rekening te houden met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling. Elke vreemdeling heeft immers een eigen referentiekader op basis van opleiding, culturele achtergrond, levensfase etc.
7. In het voornemen heeft verweerder samengevat het volgende referentiekader opgenomen: Eiser is een zevenentwintigjarige man die gestudeerd heeft aan de universiteit en heeft gewerkt als dierenarts. Eiser behoort tot de Jola-stam, heeft een Islamitische achtergrond, waar hij inmiddels afstand van heeft gedaan en hij is opgegroeid in Gambia. Vanwege het opleidingsniveau van eiser mag verwacht worden dat hij enigszins lastige vragen kan beantwoorden. Tijdens het horen is de vraagstelling geregeld aangepast indien eiser de vraag niet begreep. In zoverre is voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser.
8. Uit de verklaringen van eiser volgt dat hij voor het eerst op zevenjarige leeftijd uiting heeft gegeven aan zijn homoseksuele gevoelens, tijdens het spelen met zijn neefje. Eiser is toen bestraft door zijn moeder. [5] Toen eiser dertien was begonnen zijn dromen over jongens. Eiser verklaart daarover wat hij droomde en tot welke gevoelens en fysieke gevolgen die dromen leidden. Ook verklaart hij over ervaringen met vrienden, dat hij wel gevoelens had bij jongens en niet bij meisjes en dat hij daardoor in de war raakte. Hij verklaart ook dat hij bang was en dat hij niemand over zijn verwarrende gevoelens durfde te vertellen, omdat iedereen in zijn omgeving moslim was en homoseksualiteit niet was toegestaan. Eiser ging naar een internetcafé om dingen op te zoeken over homoseksualiteit en hij deed heimelijk navraag bij zijn science-docent. Vanaf ongeveer zijn vijftiende accepteerde eiser zijn gevoelens. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze verklaringen summier zijn en niet gedetailleerd. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat in de besluitvorming onvoldoende gemotiveerd is waarom eisers verklaringen tekortschieten, gelet op zijn referentiekader. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom deze vrij uitgebreide verklaringen onvoldoende zijn, mede gelet op eisers destijds jonge leeftijd. Het komt de rechtbank voor dat eisers verklaringen nu juist passen bij een jongen in de periode van zijn zevende tot ongeveer zijn vijftiende levensjaar. [6]
9. Dit geldt ook voor eisers verklaringen over wat het met hem deed dat hij op mannen valt in een maatschappij waar dat niet is toegestaan. Eiser verklaart namelijk op meerdere punten dat hij in de war en bang was, anderen niet durfden te vertellen over zijn gevoelens, dat hij dacht dat het niet normaal was, hij zichzelf haatte en soms moest huilen. Ook verklaart eiser dat hij zich afvroeg waarom dit bij hem gebeurde en dat hij het moeilijk en pijnlijk vond in een maatschappij waar zijn geaardheid is verboden. Ook heeft eiser verklaard over de verschillende wijzen waarop hij onderzoek heeft gedaan naar zijn geaardheid. Verweerder motiveert in dit verband evenmin deugdelijk waarom eiser met deze verklaringen gelet op zijn jonge leeftijd onvoldoende inzicht heeft gegevens in zijn gevoelens en het proces waar hij doorheen ging.
10. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat van eiser verlangd mag worden dat hij beter kan verklaren over zijn geaardheid en de gevolgen daarvan omdat hij hoogopgeleid is. Het enkele feit dat eiser hoogopgeleid is maakt niet dat hij beter kan verklaren over zijn geaardheid dan personen met een lager opleidingsniveau. Verweerder legt niet uit dat het opleidingsniveau van eiser tot gevolg heeft dat hij goed over zijn gevoelens kan praten en dat hij zich voldoende vrij voelt om daarover te praten, met name in de situatie dat hij is opgegroeid in een maatschappij waar zijn geaardheid verboden is.
Relaties
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser summier en vaag heeft verklaard over zijn relatie met [naam 1] . Verweerder volgt wel dat eiser een vriendschappelijke relatie heeft gehad met [naam 1] , maar niet dat deze relatie is overgegaan in een romantische relatie. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er uitgebreidere verklaringen verwacht mogen worden in het geval van een langdurige relatie zoals eiser heeft gehad met [naam 1] . Dat neemt niet weg dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd waarom eisers verklaringen over de relatie als oppervlakkig moeten worden aangemerkt. Eiser vertelt bijvoorbeeld over de activiteiten die zij samen ondernamen en welke karaktereigenschappen hij van [naam 1] leuk vond. Ook vertelt eiser over een koosnaampje dat [naam 1] voor hem had. De rechtbank volgt verweerder, net als eiser, evenmin in zijn overweging dat niet geloofwaardig is dat eiser op de middelbare school zijn hand legde op het been van [naam 1] , voordat hij wist dat [naam 1] hem leuk vond. Immers eiser heeft ook verklaard dat daarbij geen andere mensen aanwezig waren. Bovendien heeft verweerder niet uitgelegd waarom het verrichten van deze handeling niet gevolgd wordt omdat deze heeft plaatsgevonden in een maatschappij waar homoseksualiteit niet is toegestaan. Onduidelijk is waarom verweerder een dergelijke handeling direct als gevaarlijk kwalificeert, terwijl verweerder wel volgt dat eiser en [naam 1] vrienden waren. Dit geldt evenzo voor de tegenwerping van verweerder dat eiser een sms aan [naam 1] heeft gestuurd waarin hij verklaard verliefd te zijn op [naam 1] . Eiser en [naam 1] hadden toen tenslotte al met elkaar gezoend onder de douche. Verweerder laat na toe te lichten om welke redenen een dergelijke sms ook onder die omstandigheden nog steeds te risicovol is in een maatschappij zoals in Gambia.
12. De rechtbank concludeert dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser met zijn verklaringen zijn geaardheid onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het beroep is daarom reeds gegrond.
Steunbewijs
13. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn homoseksuele geaardheid een brief overgelegd van het COC van 28 oktober 2024, foto’s van zijn aanwezigheid bij een bijeenkomst van het COC en een brief van [naam 2] van 10 november 2024. Het COC meldt dat eiser positief aanwezig is en sinds juni 2023 maandelijks deelneemt aan de inloopmeetings van [locatie] en met enthousiasme deelneemt aan activiteiten van het COC. [naam 2] schrijft in zijn brief waar hij eiser ontmoet heeft, welke activiteiten zij samen ondernamen, zoals eten bij hem thuis, voetballen en basketballen op straat, vrijwilligerswerk bij de [moestuin] , het bezoeken van huis- en lhbti-feestjes. Hij benoemt daarbij ook enkele locaties. Verder omschrijft hij enkele karaktereigenschappen van eiser en hun vriendschap.
14. Verweerder overweegt dat dergelijke brieven op zichzelf niet als objectief bewijs kunnen worden gezien en enkel kunnen dienen ter ondersteuning van eisers verklaringen. Gelet op de conclusie over eisers verklaringen onder punt 11, zal verweerder de steunverklaringen opnieuw moeten beoordelen, nu verweerder het steunbewijs hoofdzakelijk heeft beoordeeld, en onvoldoende bevonden, in het licht van eisers verklaringen.
Kennelijk ongegrond
15. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser zich niet zo snel mogelijk heeft gemeld bij de daartoe bevoegde autoriteiten en verzocht heeft om internationale bescherming. Echter het gegeven dat eiser zich laat heeft gemeld doet naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. De rechtbank komt tot dit oordeel vanwege de conclusies over de verklaringen van eiser en het door eiser overgelegde steunbewijs.
Conclusie
16. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zijn conclusie over de geloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid van eiser niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. Nu het niet aan de rechtbank maar aan verweerder is een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te maken, zal verweerder de geloofwaardigheid van de geaardheid opnieuw moeten beoordelen met inachtneming van wat de rechtbank heeft overwogen.
17. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 4 juli 2025;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt
gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 15 januari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.In de procedure zijn verschillende schrijfwijzen van de naam gehanteerd. [naam 1] en [naam 1] . De rechtbank houdt in deze uitspraak de eerste schrijfwijze aan.
3.Werkinstructie 2019/17 Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd.