Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Procesverloop
24 december 2021 heeft eiser zijn reactie ingediend.
Overwegingen
Griffierecht
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen. Gebleken is dat verweerder de relevante, door eiser gestelde omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken. Verweerder heeft in aanmerking genomen dat eiser sinds augustus 2019 (weer) in Nederland is, terwijl hij geboren en getogen is in Polen en daar het overgrote deel van zijn leven heeft verbleven. De band van eiser met zijn land van herkomst is daarom sterk te noemen. Dat wordt ook niet betwist. Verweerder heeft ook ten nadele van eiser kunnen betrekken dat eiser niet heeft aangetoond dat hij beschikt over middelen van bestaan of inkomen om in zijn eigen onderhoud te voorzien. Eiser heeft sinds april 2020 niet meer gewerkt. Zijn stelling dat hij onvrijwillig werkloos is geworden, heeft hij niet onderbouwd. Dat verweerder dit niet in de belangenweging mag betrekken, volgt de rechtbank niet. Niet valt in te zien waarom deze elementen geen rol in de belangenafweging mogen spelen. Verder heeft verweerder ten nadele van eiser kunnen betrekken dat hij niet heeft aangetoond een vaste woon- of verblijfplaats te hebben en dat hij gebruik maakt van sociale voorzieningen om hier te kunnen leven. Eiser stelt weliswaar dat hij geen gebruik meer maakt van de daklozenopvang, maar verweerder stelt terecht dat hij dit niet heeft onderbouwd door bijvoorbeeld inzichtelijk te maken waar hij dan wel verblijft. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen betrekken dat hij veelvuldig is veroordeeld wegens het plegen van verschillende delicten, dat hij een zwervend bestaan leidt en daardoor overlast veroorzaakt.Dat verweerder niet heeft aangetoond dat eiser ten tijde van het bestreden besluit nog steeds overlast veroorzaakte of contact had met de politie, maakt niet dat verweerder deze omstandigheden niet in het nadeel van eiser heeft mogen betrekken. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiser kunnen laten wegen dat hij nauwelijks betrokken is bij de Nederlandse samenleving, geen ziektekostenverzekering heeft en geen gezins-of familieleven hier onderhoudt. De beroepsgronden falen.
Eiser stelt – kort samengevat – dat de gegeven vertrektermijn van 28 dagen te kort is. Uit artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn blijkt dat de gegeven vertrektermijn niet korter mag zijn dan één maand. Dit artikel is ook van toepassing op besluiten tot beperking van het vrij verkeer die worden genomen om andere redenen dan openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid, zoals besluiten op grond van artikel 15 van Pro de Verblijfsrichtlijn. Verweerder heeft deze bepalingen niet juist omgezet in nationaal recht. Voorts wijst eiser erop dat in de Verblijfsrichtlijn een minimumtermijn is opgenomen, wat betekent dat een gunstiger nationale bepaling ook tot de mogelijkheden behoort. Ter onderbouwing van zijn betoog wijst eiser op de Richtsnoeren voor de toepassing van de Verblijfsrichtlijn, het arrest FS tegen Nederland [4] en artikel 88 van Pro het Wetboek van Strafrecht waarin staat dat ‘een maand’ dertig kalenderdagen is.
21 juni 2021 inmiddels ruimschoots is verstreken. Verweerder verzoekt de rechtbank daarom toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en dit gebrek in het bestreden besluit te passeren.
De rechtbank zal hierna deze door partijen ingenomen standpunten in haar beoordeling betrekken. Voor het toepasselijke wettelijk kader verwijst zij naar de bijlage die achter deze uitspraak is gevoegd.
Beslissing
Rechtsmiddel
BIJLAGE
Wettelijk kader ten aanzien van het verblijfsrecht op grond van het Unierecht
Artikel 7, eerste lid
Artikel 8:12, eerste lid
artikel 8.7, eerste lid, heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij:
artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of in het Centraal register beroepsopleidingen, bedoeld in
artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, om als hoofdbezigheid een studie of beroepsopleiding te volgen, beschikt over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt, en hij met een verklaring of een gelijkwaardig middel naar zijn keuze de zekerheid verschaft dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan voor zichzelf en zijn familieleden;
artikel 8.7, tweede lid, is van een vreemdeling als bedoeld onder a of b;
artikel 8.7, derde lid, en hij in het land van herkomst ten laste is van of inwoont bij een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c;
artikel 8.7, derde lid, en hij vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, strikt behoeft; of
artikel 8.7, vierde lid, en hij een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft met een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, dan wel rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn, jonger dan 18 jaar, is van een zodanige partner.
vervaltijden