Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Procesverloop
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, werkzaam als inpakker, ontving sinds 2010 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid door een fractuur in de linkerenkel. Verweerder beëindigde deze uitkering per 25 mei 2020, later gewijzigd naar 30 december 2020, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Eiser stelde zich op het standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt was en dat de beëindiging onterecht was.
De rechtbank beoordeelde de medische situatie van eiser op 30 december 2020, waarbij werd vastgesteld dat eiser geen volledige arbeidsongeschiktheid had. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van verweerder motiveerden hun oordeel met recente medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijsten, waaruit bleek dat eiser beperkingen had maar nog wel in staat was tot diverse functies binnen de arbeidsmarkt.
De rechtbank verwierp de stellingen van eiser over ernstigere beperkingen, slaapproblemen en concentratiestoornissen, omdat deze niet medisch onderbouwd waren. Ook de door eiser aangevoerde bezwaren tegen de geschiktheid van bepaalde functies werden door de arbeidsdeskundige gemotiveerd weerlegd.
De rechtbank concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld op minder dan 35%, waardoor de WIA-uitkering per 30 december 2020 terecht is beëindigd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De WIA-uitkering van eiser is terecht beëindigd per 30 december 2020 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.