ECLI:NL:CRVB:2020:1645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid ondanks orthopedisch schoeisel
Appellante was werkzaam als groepsbegeleidster en meldde zich ziek na een val met meerdere enkelfracturen. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. Na vernietiging van dit besluit door de rechtbank, stelde het UWV een nieuw besluit op met aanvullende rapportages van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige.
De rechtbank oordeelde dat het UWV de motiveringsgebreken had hersteld en dat het dragen van orthopedische werkschoenen mogelijk is, waardoor appellante geschikt is voor bepaalde functies. Appellante voerde in hoger beroep grotendeels dezelfde gronden aan, waaronder het ontbreken van geschikt orthopedisch schoeisel op de datum in geschil.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat het feit dat het orthopedisch schoeisel nog niet beschikbaar was, niet leidt tot een ander oordeel. Het is voldoende aannemelijk dat de voorziening alsnog kan worden verkregen. De functies productiemedewerker industrie en medewerker tuinbouw mochten daarom aan de schatting ten grondslag worden gelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante onvoldoende arbeidsongeschikt is voor een WIA-uitkering en wijst het hoger beroep af.