Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2022 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
het Dagelijks Bestuur van Holland Rijnland, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, die na een scheiding geen zelfstandige woonruimte kon vinden, vroeg een urgentieverklaring aan om zijn minderjarige dochters een stabiele woonomgeving te bieden. Verweerder wees de aanvraag af op grond van de Huisvestingsverordening Holland Rijnland 2019, omdat één ouder zelfstandige woonruimte heeft en er geen bijzondere omstandigheden zijn die een hardheidsclausule rechtvaardigen.
Eiser voerde aan dat de woonsituatie van zijn kinderen door de psychische problemen van hun moeder negatief wordt beïnvloed en dat het recht op familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) en het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (artikel 27 IVRK Pro) geschonden zouden zijn. De rechtbank oordeelde echter dat deze rechten geen positieve verplichting tot het verstrekken van een urgentieverklaring inhouden en dat de situatie van eiser niet afwijkt van andere alleenstaande ouders zonder zelfstandige woonruimte.
De rechtbank benadrukte dat de Huisvestingsverordening beoordelings- en beleidsvrijheid aan verweerder geeft en dat het beleid gericht is op een rechtvaardige verdeling van de schaarse woningvoorraad. Omdat één ouder zelfstandige huisvesting heeft en gezamenlijk gezag bestaat, wordt verwacht dat de ouders het woonprobleem zelf oplossen. De hardheidsclausule is niet van toepassing.
Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn op 14 april 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard.