ECLI:NL:RBDHA:2022:3498
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar
Eiser, een Russische nationaliteit bezittende asielzoeker, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 november 2021 waarin zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Ter onderbouwing verwees hij naar het relaas van zijn echtgenote, die zich had bekeerd tot de religie van de Jehova’s getuigen. De rechtbank heeft het beroep van de echtgenote eveneens ongegrond verklaard omdat zij haar asielmotief niet aannemelijk had gemaakt.
Gezien het oordeel over de echtgenote kon eiser niet in aanmerking komen voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelde dat de aanvraag terecht was afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.F.I. Sinack en bekendgemaakt op 15 april 2022. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.