ECLI:NL:RBDHA:2022:3655
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank vernietigt afwijzing machtigingen voorlopig verblijf wegens onvoldoende motivering nader onderzoek
Eisers, familieleden van een referent met verblijfsvergunning, vroegen machtigingen tot voorlopig verblijf aan om naar Nederland te kunnen reizen. Verweerder wees deze aanvragen af omdat de feitelijke gezinsband niet aannemelijk was en verwees naar het ontbreken van noodzakelijke aanvullende gegevens en de onmogelijkheid tot nader onderzoek in Eritrea.
Eisers stelden dat verweerder onzorgvuldig handelde door niet te wachten op nader onderzoek bij Nederlandse ambassades in Ethiopië of Soedan, wat vanwege oorlog en afstand praktisch onmogelijk is. Verweerder erkende de vermoedelijke bloedverwantschap maar handhaafde de afwijzing wegens gebrek aan DNA-onderzoek en beschikbaarheid eisers.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom hij geen nader onderzoek kon faciliteren via de UNHCR of een andere EU-lidstaat met vertegenwoordiging in Eritrea, noch waarom de zaken niet werden aangehouden totdat eisers konden uitreizen. De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten en legde een termijn van acht weken op voor nieuwe besluiten. Tevens veroordeelde zij verweerder tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de machtigingen tot voorlopig verblijf en draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen.