ECLI:NL:RBDHA:2022:3839
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking recht op bijstand wegens verzuim gegevensverstrekking
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leiden om zijn recht op bijstand met ingang van 1 december 2021 in te trekken. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 april 2022 via een beeldverbinding. Verzoeker heeft een spoedeisend belang omdat hij een huurachterstand heeft en dreigt te worden uitgezet.
De voorzieningenrechter beoordeelde of het recht op bijstand terecht was ingetrokken omdat verzoeker niet binnen de gestelde hersteltermijn de gevraagde bankafschriften had verstrekt. Verzoeker stelde ter zitting dat hij deze documenten op 26 november 2021 had overhandigd, maar verweerder ontkende dit. De rechtbank achtte het niet aannemelijk dat de bankafschriften waren verstrekt, mede omdat verzoeker dit niet eerder had gesteld en de toezichthouder dit ontkende in een verslag.
Verzoeker had de bankafschriften pas op 23 januari 2022, tijdens de bezwaarfase, alsnog verstrekt. De rechtbank volgt de vaste rechtspraak dat gegevens die pas in de bezwaarfase worden overgelegd in beginsel geen betekenis hebben, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat ze niet eerder konden worden verstrekt. Dit achtte de rechtbank niet het geval.
De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker verwijtbaar heeft verzuimd de gevraagde gegevens tijdig te verstrekken, waardoor de intrekking van het recht op bijstand terecht is. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van het recht op bijstand wordt afgewezen wegens verwijtbaar verzuim van gegevensverstrekking.