Eiser, een Iraanse nationaliteitdragende vader woonachtig in Iran, heeft een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum om zijn minderjarige Nederlandse zoon te bezoeken. De zoon woont sinds 2011 in Nederland bij zijn moeder, die asiel heeft gekregen en inmiddels de Nederlandse nationaliteit bezit, evenals de zoon zelf sinds 2019.
De minister van Buitenlandse Zaken heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij zorg- en opvoedingstaken verricht of dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen hem en zijn zoon dat het kind gedwongen zou zijn Nederland te verlaten als aan eiser geen verblijfsrecht wordt toegekend. Eiser stelde dat verweerder een onjuist toetsingskader hanteerde en dat de moeder de omgang met de zoon frustreert.
De rechtbank oordeelt dat het toetsingskader juist is toegepast en dat een faciliterend visum niet bedoeld is voor kortdurend verblijf, hetgeen eiser ter zitting ook bevestigde. Hoewel de omgangsbelemmeringen aannemelijk zijn gemaakt, is niet voldaan aan de voorwaarde van een zodanige afhankelijkheidsrelatie. De hoorplicht is niet geschonden omdat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van het faciliterend visum. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.