ECLI:NL:RBDHA:2022:3987
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende aantonen meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
De zaak betreft een beroep tegen de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor de moeder en zus van een referent, die samen de Afghaanse nationaliteit bezitten. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af omdat de familierechtelijke relatie niet voldoende was aangetoond en er geen bewijs was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen referent en zijn familieleden. Tevens ontbrak een ondertekende TBC-verklaring.
Referent voerde aan dat hij als jongvolwassene moest worden beschouwd en dat hij vanwege corona en hulpbehoevendheid van zijn familieleden niet in staat was de gevraagde documenten te overleggen. De rechtbank oordeelde dat referent niet voldeed aan de leeftijdscriteria voor jongvolwassene en onvoldoende feiten en omstandigheden had aangevoerd om hiervan af te wijken. Ook faalden de argumenten over bewijsnood en de gestelde afhankelijkheid.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit en familierechtelijke relatie inmiddels werden aangenomen, maar dat de ontbrekende TBC-verklaring en het gebrek aan vertaalde, officiële stukken ter onderbouwing van de afhankelijkheid doorslaggevend waren. De stellingen van referent bleven onbewezen en de omstandigheden boden geen aanleiding om het besluit te wijzigen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de machtiging tot voorlopig verblijf wordt geweigerd wegens onvoldoende bewijs van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en ontbrekende TBC-verklaring.