ECLI:NL:RBDHA:2022:4034
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht op grond van onvoldoende meer dan marginale zorgtaken voor minderjarig kind met Nederlandse nationaliteit
Eiser, met de Surinaamse nationaliteit, heeft een minderjarige dochter met de Nederlandse nationaliteit. Hij verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 20 VWEU Pro, gebaseerd op het arrest Chavez-Vilchez, omdat hij stelt dat hij meer dan marginale zorgtaken verricht voor zijn dochter en er een afhankelijkheidsrelatie bestaat.
Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende bewijs leverde dat hij daadwerkelijk meer dan marginale zorgtaken verricht. Ook was niet aangetoond dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat het kind het grondgebied van de Unie zou moeten verlaten indien aan eiser het verblijfsrecht wordt geweigerd.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt welke specifieke zorgtaken hij verricht en in welke mate. De ingebrachte verklaringen en foto’s zijn onvoldoende concreet en tonen hooguit marginale zorgtaken. Ook is niet gebleken dat de moeder de omgang frustreert of dat er een zodanige afhankelijkheid bestaat.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is het bestreden besluit terecht genomen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsrechtaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van meer dan marginale zorgtaken.