ECLI:NL:RBDHA:2022:4074
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens niet voldoen aan vordering Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
De rechtbank Den Haag behandelde een bestuursrechtelijke zaak waarbij een buitenlandse onderneming een bestuurlijke boete kreeg opgelegd wegens het niet voldoen aan een vordering op grond van artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Het geschil betrof vijftien chauffeurs die vermoedelijk werkzaamheden voor eiseres verrichtten.
De rechtbank oordeelde dat Nederland het gewoonlijk werkland van deze chauffeurs is en dat de Wml derhalve van toepassing is, ondanks de rechtskeuze voor Litouws recht in de arbeidsovereenkomsten. De inspectie was bevoegd de gevraagde bescheiden te vorderen, ook al was eiseres in Litouwen gevestigd. De rechtbank stelde vast dat eiseres niet aan deze vordering had voldaan, wat een overtreding van de Wml opleverde.
De boete werd passend bevonden, maar vanwege overschrijding van de redelijke termijn werd deze verminderd van €89.000,- naar €84.500,-. Het beroep tegen het boetebesluit werd gegrond verklaard, het beroep tegen de waarschuwing ongegrond. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Boete verminderd naar €84.500,- wegens termijnoverschrijding; beroep tegen boete gegrond, beroep tegen waarschuwing ongegrond.