ECLI:NL:RBDHA:2022:415
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsdocument EU/EER wegens onvoldoende afhankelijkheid minderjarige kinderen
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende vader, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER om bij zijn minderjarige kinderen in Nederland te verblijven. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en wonen sinds hun geboorte met hun moeder in Nederland. Verweerder wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat de kinderen zo afhankelijk van eiser zijn dat zij Nederland zouden moeten verlaten zonder zijn aanwezigheid.
Eiser betoogde dat hij een belangrijke rol speelt in het leven van zijn kinderen en dat het onredelijk is te verwachten dat hij dit met documenten onderbouwt. Hij verwees naar artikel 8 EVRM Pro en overhandigde enkele verklaringen van school, kinderopvang en consultatiebureau, alsmede foto’s.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding, mede omdat hij pas na enkele jaren bij het gezin in Nederland kwam wonen en geen bewijs leverde over zijn rol vóór die tijd. De overgelegde stukken waren onvoldoende concreet en toonden geen substantiële afhankelijkheid aan. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Daarnaast overwoog de rechtbank dat een aanvraag op grond van artikel 8 EVRM Pro niet via het verblijfsdocument EU/EER kan worden ingediend. De hoorplicht is in deze procedure niet geschonden omdat het horen niet tot een ander besluit kon leiden. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard.