ECLI:NL:RBDHA:2022:4328
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding proceskosten na sepot coronademonstratie
Verzoeker was verdachte in een strafzaak wegens overtreding van artikel 11 van Pro de Wet openbare manifestaties tijdens een coronademonstratie in Den Haag op 5 mei 2020. De zaak werd geseponeerd wegens ouderdom van het feit, mede door achterstanden in de strafrechtketen tijdens de coronapandemie.
Verzoeker vroeg vergoeding van kosten van rechtsbijstand en kosten voor het indienen van het verzoek ex artikel 530 Sv Pro. De rechtbank oordeelde dat hoewel de strafzaak was geëindigd zonder strafoplegging, jegens verzoeker een stevige verdenking bestond en dat de sepotbeslissing op grond van opportuniteit en niet gebrek aan bewijs was genomen.
De rechtbank vond dat verzoeker voldoende gelegenheid had om de demonstratielocatie te verlaten en dat zijn proceshouding niet zodanig was dat vergoeding van kosten billijk zou zijn. Daarom werden geen gronden van billijkheid vastgesteld om vergoeding toe te kennen en werd het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van proceskosten wordt afgewezen wegens het ontbreken van gronden van billijkheid.