Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
[B.V.] B.V., [vestigingsplaats] , werkgever
Rechtbank Den Haag
Eiseres, werkzaam als receptioniste, ontving sinds 2015 een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na meerdere medische en arbeidskundige herbeoordelingen, waaronder een recent onderzoek in 2020 en een bezwaarbeoordeling in 2021, concludeerde het UWV dat haar beperkingen waren gewijzigd en dat zij niet langer volledig arbeidsongeschikt was. Op basis hiervan werd haar WGA-loonaanvullingsuitkering per 19 november 2020 beëindigd.
Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, met name tegen het ontbreken van een medische urenbeperking en de inschatting van haar arbeidsmogelijkheden. De rechtbank oordeelt dat de rapporten van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen zorgvuldig en begrijpelijk zijn opgesteld, en dat de motivering voor het niet toekennen van een medische urenbeperking voldoende is. Eiseres heeft geen nieuwe medische informatie aangeleverd die het oordeel van het UWV onderbouwt.
De rechtbank concludeert dat de arbeidsdeskundige selectie van passende functies juist is en dat eiseres medisch in staat wordt geacht deze functies te verrichten. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en de beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd. Daarnaast is het standpunt van eiseres dat de WIA-discriminatoir zou zijn wegens haar lagere inkomen verworpen.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.