ECLI:NL:RBDHA:2022:4508
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen afwijzing verzoek schorsingsrapportage in zaak ontploffing
De verdachte wordt verdacht van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing en is in voorlopige hechtenis gesteld. Hij verzocht de rechter-commissaris om de reclassering een schorsingsrapportage op te laten maken, hetgeen werd afgewezen. De verdachte diende hiertegen een bezwaarschrift in bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank behandelde het bezwaarschrift in raadkamer, waarbij de verdachte en de officier van justitie werden gehoord. De verdediging stelde dat de rechter-commissaris ten onrechte de proceshouding van de verdachte betrok en dat de reclassering zelf moest beoordelen of een schorsingsrapportage noodzakelijk was. Tevens werd gewezen op een advies van de reclassering om een nader rapport op te vragen, onder meer over mogelijke plaatsing in een justitiële jeugdinrichting.
De officier van justitie stelde dat een schorsingsrapportage niet relevant was voor de strafzaak, mede vanwege de toepasselijkheid van de twaalfjaarsgrond voor voorlopige hechtenis en het zwijgrecht van de verdachte. Ook achtte zij plaatsing in een justitiële jeugdinrichting niet passend.
De rechtbank oordeelde dat de rechter-commissaris de juiste maatstaf hanteerde door het verzoek af te wijzen omdat een schorsingsrapportage niet kan bijdragen aan beslissingen ex artikelen 348 en 350 Sv. De rechtbank verklaarde het bezwaarschrift ongegrond voor zover het gericht was tegen deze afwijzing en niet-ontvankelijk voor het deel dat betrekking had op de weigering van de rechter-commissaris om ambtshalve onderzoekshandelingen te verrichten.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsingsrapportage wordt ongegrond verklaard; het bezwaar tegen weigering ambtshalve bevoegdheid wordt niet-ontvankelijk verklaard.