Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2022:4508

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 mei 2022
Publicatiedatum
12 mei 2022
Zaaknummer
09/008435-22
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 182 SvArt. 177 SvArt. 147 SvArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen afwijzing verzoek schorsingsrapportage in zaak ontploffing

De verdachte wordt verdacht van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing en is in voorlopige hechtenis gesteld. Hij verzocht de rechter-commissaris om de reclassering een schorsingsrapportage op te laten maken, hetgeen werd afgewezen. De verdachte diende hiertegen een bezwaarschrift in bij de rechtbank Den Haag.

De rechtbank behandelde het bezwaarschrift in raadkamer, waarbij de verdachte en de officier van justitie werden gehoord. De verdediging stelde dat de rechter-commissaris ten onrechte de proceshouding van de verdachte betrok en dat de reclassering zelf moest beoordelen of een schorsingsrapportage noodzakelijk was. Tevens werd gewezen op een advies van de reclassering om een nader rapport op te vragen, onder meer over mogelijke plaatsing in een justitiële jeugdinrichting.

De officier van justitie stelde dat een schorsingsrapportage niet relevant was voor de strafzaak, mede vanwege de toepasselijkheid van de twaalfjaarsgrond voor voorlopige hechtenis en het zwijgrecht van de verdachte. Ook achtte zij plaatsing in een justitiële jeugdinrichting niet passend.

De rechtbank oordeelde dat de rechter-commissaris de juiste maatstaf hanteerde door het verzoek af te wijzen omdat een schorsingsrapportage niet kan bijdragen aan beslissingen ex artikelen 348 en 350 Sv. De rechtbank verklaarde het bezwaarschrift ongegrond voor zover het gericht was tegen deze afwijzing en niet-ontvankelijk voor het deel dat betrekking had op de weigering van de rechter-commissaris om ambtshalve onderzoekshandelingen te verrichten.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsingsrapportage wordt ongegrond verklaard; het bezwaar tegen weigering ambtshalve bevoegdheid wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Parketnummer: 09/008435-22
Raadkamernummer: 22/827
Beslissing van de rechtbank Den Haag, meervoudige raadkamer, op het bezwaarschrift ex artikel 182, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,
wonende op [adres] ,
thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting]
voor deze zaak domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. J.G.W.M. Lut, op het adres Bordewijklaan 50, 2591 XR Den Haag,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte wordt verdacht van – kort gezegd – het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing. De rechter-commissaris heeft op 3 maart 2022 zijn inbewaringstelling bevolen.
De verdachte heeft op 18 maart 2022 de rechter-commissaris verzocht om de reclassering een schorsingsrapportage te doen opmaken.
Bij beschikking van 30 maart 2022 heeft de rechter-commissaris dit verzoek afgewezen.
De verdachte heeft daartegen een bezwaarschrift ingediend, dat op 8 april 2022 ter griffie van de rechtbank is ontvangen.

De procedure in raadkamer

De rechtbank heeft het bezwaarschrift op 26 april 2022 in raadkamer behandeld. De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, is gehoord. Tevens is de officier van justitie mr. D. Kortekaas gehoord.

Het standpunt van de verdachte

De verdachte kan zich niet vinden in de beslissing van de rechter-commissaris. Namens hem is aangevoerd dat de rechter-commissaris de proceshouding van de verdachte niet in haar beslissing mocht betrekken, dat het niet aan de rechter-commissaris maar aan de reclassering is om de noodzaak van het opstellen van een schorsingsrapportage te beoordelen en dat de reclassering zelf in het voorgeleidingsadvies heeft geadviseerd om een nader rapport aan te vragen. Ook is aangevoerd dat de verdachte wellicht in een justitiële jeugdinrichting geplaatst zou moeten worden en dat de reclassering ook hierover zou moeten adviseren.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard. Het laten opmaken van een schorsingsrapportage is naar haar mening niet van belang in de strafzaak, omdat schorsing van de voorlopige hechtenis niet aan de orde is gelet op de twaalfjaarsgrond. Dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept, maakt bovendien dat de reclassering niet zou kunnen komen tot een delictanalyse en tot advies over hoe het recidivegevaar zou kunnen worden ingeperkt. Gelet op de aard van de zaak is plaatsing in een justitiële jeugdinrichting niet passend. De officier van justitie heeft meegedeeld dat voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak wel een nader reclasseringsadvies is aangevraagd.

Het oordeel van de rechtbank

Het toepasselijke beoordelingskader
Ingevolge artikel 182, eerste lid, Sv kan een persoon die als verdachte van een strafbaar feit is verhoord, of die reeds terzake van een strafbaar feit wordt vervolgd, de rechter-commissaris verzoeken dienaangaande onderzoekshandelingen te verrichten.
Ingevolge artikel 182, zevende lid, Sv kan, indien de verdachte in voorlopige hechtenis is gesteld, de rechter-commissaris indien hij dit noodzakelijk acht, ten aanzien van het feit waarvoor voorlopige hechtenis is bevolen ambtshalve onderzoekshandelingen verrichten.
Ingevolge artikel 177, tweede lid, Sv, gelezen in samenhang met artikel 147, eerste lid, Sv, kan de rechter-commissaris in het belang van het onderzoek in strafzaken de medewerking inroepen van de reclassering en aan deze de nodige opdrachten geven.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 182 Sv Pro kan worden afgeleid dat de rechter-commissaris een verzoek tot het verrichten van onderzoekshandelingen als bedoeld in het eerste lid afwijst “indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing” (Kamerstukken II 2009/10, 32 177, nr. 3, p. 16).
Een vergelijkbare zinsnede komt terug in de rechtspraak van de Hoge Raad over de beoordeling van verzoeken tot het horen van getuigen, waarin als uitgangspunt wordt genomen dat van de verdachte mag worden verlangd te motiveren waarom het horen van de gevraagde getuige “van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing” (ECLI:NL:HR:2021:576 (post-Keskin)).
De rechtbank acht die rechtspraak van overeenkomstige toepassing op verzoeken ex artikel 182, eerste lid, Sv. De rechter-commissaris zal een dergelijk verzoek dus dienen af te wijzen als de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing.
De beoordeling van de beschikking van de rechter-commissaris
De beschikking van de rechter-commissaris waarbij het verzoek van de verdachte is afgewezen, houdt – voor zover thans van belang – het volgende in:
“Beoordeling van het verzoek:
De rechter-commissaris is bevoegd op het verzoek te beslissen en overweegt als volgt. Voorop staat dat een schorsingsrapportage niet direct raakt aan de vragen van artikel 348 en Pro 350 Sv. De rechter-commissaris kan op grond van artikel 177 lid 2 juncto Pro artikel 147 lid 1 Sv Pro een opdracht geven aan de reclassering, maar voor een dergelijke opdracht ziet de rechter-commissaris nu geen noodzaak. Er zijn ernstige bezwaren voor betrokkenheid van de verdachte bij een ontploffing in een woonwijk en de verdachte heeft (nog) geen openheid van zaken gegeven over het milieu waarin hij lijkt te verkeren, over gesprekken die hij lijkt te hebben gevoerd, over de indruk dat hij over explosieven beschikt en over contacten die hij lijkt te hebben. Het verstrekken van een opdracht aan de reclassering voor het opmaken van een schorsingsrapportage wordt om die redenen nu niet noodzakelijk geacht. Zijn persoonlijke belangen kan de verdachte in het kader van een schorsingsverzoek zelf toelichten. De rechter-commissaris is daarom van oordeel dat het verzoek afgewezen dient te worden.”
De rechtbank begrijpt de beslissing van de rechter-commissaris als tweeledig. Enerzijds een beoordeling van het verzoek ex artikel 182, eerste lid, Sv. Anderzijds een overweging aangaande het wel of niet toepassen van de ambtshalve bevoegdheid ex artikel 182, zevende lid, Sv en daarbij inroepen van de reclassering als bedoeld in artikel 177, tweede lid, Sv.
In het licht van wat hierboven uiteen is gezet, begrijpt de rechtbank dat de rechter-commissaris in het eerste deel van haar beslissing tot uiting heeft gebracht dat het doen opmaken van een schorsingsrapportage redelijkerwijs niet kan bijdragen aan enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Daarmee heeft de rechter-commissaris naar het oordeel van de rechtbank de juiste maatstaf toegepast. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om, met toepassing van die maatstaf, anders te oordelen dan de rechter-commissaris. De gevraagde rapportage ziet immers alleen op de mogelijkheid en wenselijkheid van schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, wat niet een beslissing is uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv. Voor zover de verdachte verzoekt de reclassering ook te laten rapporteren over de vraag of hij in een justitiële jeugdinrichting zou moeten worden geplaatst, geldt hetzelfde. Om die redenen dient het bezwaarschrift, voor zover gericht tegen het eerste deel van de beslissing van de rechter-commissaris, ongegrond te worden verklaard.
Voor zover het bezwaarschrift zich richt tegen het tweede deel van de beslissing van de rechter-commissaris, dient de verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard. De wet voorziet niet in een bezwaarprocedure of (ander) rechtsmiddel tegen de weigering van de rechter-commissaris om gebruik te maken van de ambtshalve bevoegdheid ex artikel 182, zevende lid, Sv.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het bezwaarschrift ongegrond, voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van het verzoek ex artikel 182, eerste lid, Sv;
- verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn bezwaar, voor zover dat is gericht tegen de weigering van de rechter-commissaris gebruik te maken van de ambtshalve bevoegdheid ex artikel 182, zevende lid, Sv.
Aldus beslist te Den Haag door:
mr. N.F.R. de Rooij, voorzitter,
mr. P. Burgers, rechter,
mr. B.W. Mulder, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven, griffier,
en uitgesproken op 10 mei 2022.
Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.