ECLI:NL:RBDHA:2022:4844
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER voor verzorgende ouder wegens ontbreken daadwerkelijke zorgtaken
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vader, vroeg om een verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder van zijn minderjarige Nederlandse dochter. Verweerder wees de aanvraag af omdat niet was gebleken dat eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verrichtte en dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestond dat de dochter gedwongen zou zijn de EU te verlaten als aan eiser geen verblijfsrecht werd toegekend.
Eiser voerde in beroep aan dat hij wekelijks contact heeft met zijn dochter, financieel bijdraagt en inmiddels samenwoont met haar, maar kon dit niet voldoende onderbouwen met objectief bewijs. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde stukken, waaronder GGD-bezoeken, foto's, bankafschriften en telefoonoverzichten, onvoldoende waren om meer dan marginale zorgtaken aan te tonen. Ook de afhankelijkheidsrelatie werd niet aannemelijk gemaakt, mede omdat de zorg en het gezag bij de moeder liggen.
Verder stelde de rechtbank dat verweerder terecht van het horen van eiser heeft afgezien omdat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard.