ECLI:NL:RBDHA:2022:4926

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2022
Publicatiedatum
24 mei 2022
Zaaknummer
NL20.7422
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Eiser, een Eritrese asielzoeker, diende op 23 januari 2020 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Zwitserland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Zwitserland niet geldt vanwege het andere beleid voor Eritrese asielzoekers en de gebrekkige opvang.

De rechtbank oordeelde dat Zwitserland in beginsel verantwoordelijk is en dat verweerder terecht van het wederzijds vertrouwen uitgaat. Eiser onderbouwde zijn stellingen onvoldoende met recente stukken. De Zwitserse autoriteiten hebben het terugnameverzoek geaccordeerd, en eventuele klachten over procedure of opvang dienen daar te worden ingediend.

Ook het tijdsverloop en de Covid-pandemie rechtvaardigen geen andere uitkomst. De voorlopige voorziening voorkwam overdracht aan Zwitserland totdat op het beroep werd beslist. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.7422

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

v-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer NL20.7423). Dat verzoek is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats toegewezen bij uitspraak van 13 mei 2020. De voorzieningenrechter heeft daarbij de voorlopige voorziening getroffen dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Zwitserland totdat is beslist op het beroep.
Op 19 april 2022 heeft de rechtbank partijen gevraagd hun actuele standpunt kenbaar te maken. Ook is aangekondigd dat zij de zitting in deze beroepzaak achterwege wil laten. Daarbij heeft de rechtbank partijen de gelegenheid gegeven om binnen twee weken te laten weten of zij alsnog op een zitting wensen te worden gehoord.
Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 23 januari 2020 in Nederland een asielaanvraag ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Volgens verweerder zijn de autoriteiten van Zwitserland verantwoordelijk voor de behandeling daarvan op grond van de Dublinverordening. [2] Daarbij wijst verweerder erop dat eiser eerder in Zwitserland een asielaanvraag heeft gedaan en dat de Zwitserse autoriteiten het door verweerder gedane terugnameverzoek hebben geaccordeerd. [3]
3. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat ten aanzien van Zwitserland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zwitserland hanteert een ander beleid voor Eritrese asielzoekers. Eiser heeft in Zwitserland geen recht op sociale voorzieningen. Hij heeft daar in de ondergrondse opvang verbleven. Voor hem is het niet mogelijk bij de hogere autoriteiten te klagen over de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Tot slot wijst eiser op het tijdsverloop en stelt dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet is in geschil dat Zwitserland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 november 2020 [4] volgt dat verweerder bij Zwitserland van het beginsel van onderling of wederzijds vertrouwen mag uitgegaan.
Eiser heeft niet met recente stukken onderbouwd dat niet langer van dit uitgangspunt kan worden uitgegaan.
5. Eiser heeft evenmin zijn gestelde problemen in Zwitserland nader onderbouwd. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat de Zwitserse autoriteiten hebben ingestemd met de terugname van eiser en daarmee te kennen hebben gegeven dat zij de asielaanvraag in behandeling zullen nemen. Bij voorkomende problemen in de asielprocedure of opvangvoorzieningen dient eiser hierover te klagen bij de (hogere) Zwitserse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is.
6. In geschil is verder of het tijdsverloop aan de overdracht van eiser in de weg staat. Vanwege de Covidpandemie heeft de rechtbank op verzoek van partijen een voorlopige voorziening getroffen waarbij de overdracht aan Zwitserland verboden is zolang niet op het beroep is beslist. In dat geval voorziet de Dublinverordening erin dat de overdrachtstermijn eerst daarna aanvangt. Hoewel de Dublinverordening ervan uit gaat dat snel wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en dit nu niet is gebeurd, ziet de rechtbank hierin onvoldoende reden om het beroep gegrond te verklaren.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. Paulus, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.op 13 februari 2020.