2.3.Op 16 november 2018 heeft eiseres zich per juli 2016 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding van deze melding heeft verweerder een herbeoordeling in het kader van de WIA verricht, waarbij is beoordeeld of er per 1 juli 2016 sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak. Het betreft een zogenoemde Amber-beoordeling in welk verband een verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot het primaire besluit, waarbij verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet toegenomen arbeidsongeschikt is per 1 juli 2016 en derhalve niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
3. Bij bestreden besluit II heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Dit berust op het standpunt van verweerder dat de klachten die eiseres vanaf 1 juli 2016 kreeg, een andere oorzaak hebben dan de klachten die zij eerder had. Dit standpunt is gebaseerd op het rapport van de verzekeringsarts b&b van 27 februari 2020. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de dragende motivering van bestreden besluit II is dat de klachten die bestaan, niet zijn verergerd.
4. Eiseres kan zich niet verenigen met bestreden besluit II en voert aan dat de hoorplicht is geschonden. Ook heeft er geen medische herbeoordeling plaatsgevonden. Zonder hoorzitting, nader medisch onderzoek of contact met de behandelend sector is er geen sprake van een volledig en zorgvuldig tot stand gekomen beoordeling. Hetgeen in bezwaar is aangevoerd, dient als herhaald en ingelast beschouwd te worden. Ter onderbouwing van het beroep heeft eiseres medische stukken overgelegd.
5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
6. Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIA bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de eerste dag na afloop van de wachttijd.
7. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder op goede gronden aan eiseres een WIA-uitkering heeft geweigerd. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of bij eiseres per 1 juli 2016, de datum in geding, sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling per 29 december 2012.
8. De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.