ECLI:NL:RBDHA:2022:5167

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 mei 2022
Publicatiedatum
31 mei 2022
Zaaknummer
NL22.8349
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 eerste lid aanhef en onder a VwArt. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing maatregel bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking toezicht

Eiser, een Poolse nationaliteithebbende, werd geconfronteerd met een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wegens het risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken. Eiser betwistte de gronden van de maatregel niet, maar voerde aan dat deze in strijd was met het Unierecht en dat hij geen gevaar vormde voor de openbare orde.

De rechtbank stelde vast dat eiser zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief had beëindigd, hetgeen een vereiste is voor het herleven van het verblijfsrecht na een verwijderingsbesluit. Eiser kon niet concreet aantonen wanneer hij Nederland opnieuw was binnengekomen en had geen vaste woon- of verblijfplaats, werk of studie in Nederland.

De rechtbank volgde de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en oordeelde dat verweerder terecht de maatregel van bewaring had opgelegd. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.8349

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van een schadevergoeding.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft, na akkoord van partijen, bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1973 en de Poolse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a: Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging
daartoe gedaan;
3b: zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
vreemdelingen heeft onttrokken;
3c: eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de
plicht Nederland te verlaten blijkt en hij/zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de
daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i: heeft te kennen gegeven dat hij/zij geen gevolg zal geven aan zijn/haar verplichting tot
Terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a: zich niet aan één of meer andere voor hem/haar geldende verplichtingen van
hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c: geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d: niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden waarop de maatregel berust niet heeft betwist. De onbetwiste gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en kunnen de maatregel van bewaring al dragen.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat in de maatregel van bewaring in strijd is met het Unierecht. Eiser vormt geen last voor het stelsel van de sociale rechtsbijstand was ook geen gevaar voor de openbare orde. Het feit dat zijn verblijfsrecht in 2018 is beëindigd betekent niet dat eiser niet naar Nederland kan terugkeren.
5. Verweerder heeft in het verweerschrift verwezen naar een uitspraak van de Afdeling [4] en zich op het standpunt gesteld dat eiser zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijke en effectief heeft beëindigd.
6. De rechtbank volgt verweerder in dat standpunt. Uit een arrest van het Hof [5] volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De duur die de Unieburger buiten het grondgebied van het gastland verbleef, is voor de vaststelling van de daadwerkelijke en effectieve beëindiging van belang, maar niet beslissend. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof en de door verweerder aangehaalde uitspraak ligt het op de weg van eiser om aan te tonen dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en niet op de weg van verweerder om daar onderzoek naar te doen. Eiser heeft niet aangetoond wanneer hij Nederland weer is ingereisd, maar eiser heeft verklaard dat dit in 2019 is geweest. Hij kan niet vertellen op welke datum. Uit het politiesysteem volgt dat eiser op 27 april 2019 in Nederland is aangehouden, zodat vaststaat dat eiser in elk geval reeds na vier maanden na de uitzetting Nederland weer is ingereisd. Dit heeft eiser voorts niet betwist. In Nederland heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats en geen werk of studie. De verklaringen van eiser dat hij in Polen heeft geholpen op de boerderij van familie acht de rechtbank onvoldoende (geconcretiseerd) voor het oordeel dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd.
7. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, was verweerder niet gehouden een nieuw verwijderingsbesluit te nemen en is eisers recht op vrije circulatie niet gaan herleven. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie
8. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:562).
5.Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506, C-719/19 (FS tegen Nederland).