ECLI:NL:RVS:2022:562
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewaring van Unieburgers zonder rechtmatig verblijf en naleving verwijderingsbesluit
Deze uitspraak behandelt de vraag of de staatssecretaris een burger van de Unie in vreemdelingenbewaring kan stellen en of de betrokkene op de momenten van bewaring volledig heeft voldaan aan het verwijderingsbesluit zoals bedoeld in artikel 15 van Pro de Verblijfsrichtlijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in twee zaken het hoger beroep van de vreemdeling tegen besluiten tot bewaring beoordeeld. Na een prejudiciële verwijzing aan het Hof van Justitie van de EU en de arresten F.S. en Ordre des barreaux, is vastgesteld dat bewaring van een Unieburger zonder verblijfsrecht mogelijk is indien deze niet binnen de gestelde termijn vertrekt of niet volledig voldoet aan het verwijderingsbesluit. De bewaring vormt een beperking van het recht op vrij verkeer en verblijf, maar is gerechtvaardigd ter uitvoering van het verwijderingsbeleid.
De Afdeling concludeert dat de vreemdeling op beide momenten van bewaring zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, mede gelet op zijn frequente terugkeer en betrokkenheid bij strafbare feiten. De maximale bewaringstermijn van zes maanden is voor Unieburgers niet proportioneel, maar de duur van de bewaring in deze zaken was korter dan die termijn en daarmee toelaatbaar.
De hoger beroepen worden ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank bevestigd, met verbetering van gronden in één zaak. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De hoger beroepen van de vreemdeling tegen de besluiten tot vreemdelingenbewaring worden ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank bevestigd.