ECLI:NL:RBDHA:2022:5302
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar verblijfsvergunning afgewezen
Eiser, met de Turkse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd op 2 december 2021 afgewezen door verweerder. Eiser maakte bezwaar tegen dit primaire besluit, maar dit bezwaar werd bij besluit van 15 februari 2022 niet-ontvankelijk verklaard omdat hij binnen de gestelde termijn geen gronden van bezwaar had ingediend.
Eiser stelde dat hij in bezwaar alsnog alle juiste gegevens had ingebracht en verwees naar de Overeenkomst van Ankara (1963) tussen de Europese Gemeenschap en Turkije. De rechtbank oordeelde echter dat uit deze verwijzing niet blijkt dat eiser tijdig gronden van bezwaar heeft ingebracht. Hierdoor was het beroep kennelijk ongegrond.
De rechtbank wees een proceskostenveroordeling af en verklaarde het beroep ongegrond. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard.