ECLI:NL:RBDHA:2025:13844

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
Awb 21.7526
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken bezwaar of beroep

Verzoeker had een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke op 2 december 2021 werd afgewezen door verweerder. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Na beslissing op bezwaar op 15 februari 2022 stelde verzoeker beroep in en vroeg opnieuw om een voorlopige voorziening.

De rechtbank oordeelde dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan zolang bezwaar of beroep aanhangig is. Omdat de rechtbank op 27 mei 2022 reeds uitspraak had gedaan op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening, was er op het moment van het huidige verzoek geen bezwaar of beroep meer aanhangig.

Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een aanhangig bezwaar of beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 21/7526

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]
en
de minister Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
,verweerder
.

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van
verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Daarnaast heeft hij de
voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (AWB 21/7526) te treffen.
Bij besluit van 15 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder op het bezwaar
beslist.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep (AWB 22/1434) ingesteld. Hij heeft de
voorzieningenrechter wederom verzocht om een voorlopige voorziening (AWB
22/1436) te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak
zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan een voorlopige voorziening alleen worden verzocht zolang er bezwaar of beroep aanhangig is. Als in afwachting van de uitkomst van een bezwaar is verzocht om een voorlopige voorziening, op het bezwaar wordt beslist en er beroep wordt ingesteld voordat op het verzoek is beslist, dan wordt het verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb gelijk gesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter.
2. Dat betekent dat het voorliggende verzoek om voorlopige voorziening onder nummer AWB 21/7526 van rechtswege is gericht tegen het bestreden besluit van 15 februari 2025. Bij uitspraken van 27 mei 2022 [2] heeft de rechtbank echter al beslist op het tegen dit besluit ingestelde beroep, en ook op het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer AWB 22/1436. Als gevolg hiervan is nu niet langer sprake van een bezwaar of beroep in verband waarmee om een voorlopige voorziening kan worden gevraagd.
3. Gelet op het voorgaande zal het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 24 juli 2025 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.A.M. Mangroe, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 27 mei 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5302 en ECLI:NL:RBDHA:2022:5303.