Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker,
,verweerder
.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker had een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke op 2 december 2021 werd afgewezen door verweerder. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Na beslissing op bezwaar op 15 februari 2022 stelde verzoeker beroep in en vroeg opnieuw om een voorlopige voorziening.
De rechtbank oordeelde dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan zolang bezwaar of beroep aanhangig is. Omdat de rechtbank op 27 mei 2022 reeds uitspraak had gedaan op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening, was er op het moment van het huidige verzoek geen bezwaar of beroep meer aanhangig.
Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een aanhangig bezwaar of beroep.