ECLI:NL:RBDHA:2022:5374
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag statushouder Duitsland ongegrond verklaard
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende statushouder, diende op 11 januari 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet. Duitsland had op 8 maart 2022 bevestigd dat eiser daar subsidiaire bescherming heeft en het verzoek tot terugname op basis van de Dublinverordening had afgewezen.
Eiser voerde aan dat hij in Duitsland geen bescherming meer geniet en dat zijn hoofdverblijf buiten Duitsland is gevestigd, maar bracht geen concrete aanwijzingen voor intrekking of beëindiging van zijn beschermingsstatus. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht mocht uitgaan van de informatie van de Duitse autoriteiten en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is.
Daarnaast stelde eiser dat hij in Duitsland onvoldoende toegang tot huisvesting en werk had, zich gediscrimineerd voelde en geen band met Duitsland heeft. De rechtbank stelde dat statushouders in Duitsland dezelfde rechten hebben als staatsburgers en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM Pro strijdige behandeling. Zijn persoonlijke ervaringen en landeninformatie boden geen aanleiding tot een ander oordeel.
Gelet hierop werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.