ECLI:NL:RBDHA:2022:5587
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing ongewenstverklaring op grond van Vreemdelingenwet
Eiser, houder van de Roemeense nationaliteit, is bij besluit van 2 februari 2017 ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft in november 2020 een verzoek tot opheffing van deze ongewenstverklaring ingediend, maar dit verzoek werd door verweerder afgewezen wegens onvolledigheid en het ontbreken van bewijs dat aan de voorwaarden voor opheffing was voldaan.
Eiser voerde aan dat verweerder hem onvoldoende had geïnformeerd over de mogelijkheid om op grond van bijzondere individuele omstandigheden af te zien van de ongewenstverklaring en dat het verzoek onjuist was getoetst. Tevens stelde hij dat jurisprudentiële ontwikkelingen aanleiding geven tot heroverweging. De rechtbank oordeelde dat de ongewenstverklaring in rechte vaststaat en dat de inhoudelijke beoordeling daarvan in deze procedure niet aan de orde is.
De rechtbank stelde vast dat verweerder het toetsingskader, gebaseerd op artikel 32 van Pro Richtlijn 2004/38/EG en artikel 8.22 van het Vreemdelingenbesluit 2000, juist heeft toegepast. Eiser had onvoldoende bewijs geleverd van een materiële wijziging in omstandigheden of bijzondere feiten die opheffing rechtvaardigen. Ook was geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.