ECLI:NL:RBDHA:2022:5680
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning medische behandeling wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
Eiser, van Surinaamse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel medische behandeling vanwege psychische problematiek. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees het verzoek af omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en geen vrijstelling kon worden verleend. Daarnaast werd vastgesteld dat er geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn zuster, wat een vereiste is voor een beschermenswaardig familieleven onder artikel 8 EVRM Pro.
Eiser stelde dat de afwijzing onzorgvuldig was omdat hem geen termijn werd gegund om nieuwe feiten aan te leveren en dat de uitzetting in strijd was met artikel 8 EVRM Pro vanwege de afhankelijkheid van zijn zuster, die psychische problemen heeft. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat geen bijzondere afhankelijkheidsrelatie bestond, mede gelet op het BMA-advies en eerdere uitspraken.
Het overgelegde PsyQ-rapport en verklaringen van derden waren onvoldoende concreet om het standpunt van eiser te ondersteunen. Ook was de termijn tussen het primaire besluit en de beslissing op bezwaar ruim voldoende, zodat het zorgvuldigheidsbeginsel niet was geschonden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.